vrijdag 9 juli 2010

De drie V's


Victorie, Vreugde en Vuvuzela in de Marnixstraat....

dinsdag 6 juli 2010

Forever Young


Deze afgelopen maand werd wel weer duidelijk dat ik een jonge geest ben in een ouder wordend lichaam.

De meeste mensen groeien mentaal keurig mee met het aantal jaren dat zij reeds hebben doorgebracht op deze aarde. Daarmee bedoel ik dat ze 24-jarige dingen doen en denken als ze 24 zijn. Ik zou volgens deze theorie 37-jarige dingen moeten doen en denken. Dat proces verloopt bij mij echter anders. Gevoelsmatig doe en denk ik als een, laten we zeggen, 30-jarige. Mijn mentaliteit loopt dus minstens 7 jaar achter op mijn fysieke omhulsel.

Met stijgende verbazing heb ik de afgelopen jaren om mij heen gekeken en gezien hoe mijn leeftijdsgenoten zich moeiteloos overgeven aan huwelijken, het baren van reeksen kinderen, het aangaan van huizenhoge hypotheken en het accepteren van werkelijk serieuze banen. Nog de meeste steun voor mijn trage acceptatie van het feit dat je leven blijkbaar in deze richting dient te veranderen kreeg ik van de vriendjes van mijn vriendinnen die begin 30 ook echt nog niet aan de kinderen wilden. Inmiddels heeft ook deze groep mij verlaten en loopt zwaar volwassen rond te paraderen met een maxi-cosi in de ene en een volle agenda in de andere hand.

Afgelopen maand mocht ik, net als ieder jaar, weer een groep van drieëntwintig Amerikaanse, Nederlandse en Bosnische studenten trakteren op lezingen, excursies, documentaires en workshops over mensenrechten en minderheden in Nederland. Hoewel ik verantwoordelijkheid droeg voor het dagprogramma (ja, ja, dat heb ik als 30-jarige al geleerd: verantwoordelijkheid dragen), heb ik minstens zo genoten van het avond- en het nachtprogramma. Eindelijk weer standaard een groep mensen in de stad om je bij te voegen in het park, op het terras of in een restaurant. Eindelijk weer dat collectieve ‘lang leve dit leuke leven’, in plaats van die teruggetrokken gezinnetjes die zich stijf van de stress geen spontane uitstapjes meer kunnen veroorloven. Of de 'singles' die toch uiterlijk wel om 21.00 uur in bed willen liggen, teneinde de volgende dag weer fris op kantoor te verschijnen. Eindelijk weer dansen tot half zes ‘s morgens in Studio K of de Melkweg en met een plakkende broek van het zweet in het eerste licht en onder begeleiding van vogelgezang huiswaarts fietsen.

Ik zweef tussen twee werelden; de studenten tolereren mijn aanwezigheid en vragen zich in stilte af of ik wel een eigen leven heb. Mijn vrienden lachen minzaam om mijn rusteloosheid en vragen zich in stilte af wanneer ik nou eindelijk een keer volwassen word.

In navolging van het begrip ‘gevoelstemperatuur’ wil ik hierbij een lans breken voor het begrip ‘gevoelsleeftijd’. Laten we onszelf hergroeperen, niet op basis van onze werkelijke leeftijd, maar op basis van hoe oud we ons voelen. Ik word, zoals aangekondigd, graag lid van het groepje 30-jarigen. Zullen we, om goed van start te gaan, komende zaterdagavond lekker uitgaan in Paradiso? Ben benieuwd of mijn vader ook komt.

dinsdag 25 mei 2010

Wijsjes uit het Oosten






Het is vriend O. die mij uitnodigt mee te gaan naar het kleinste festival van Amsterdam (Oost): Wijsjes uit het Oosten. Maximaal aantal bezoekers: 25. Ik ben dan ook maar wat verheugd als de verlossende e-mail binnenkomt dat ik erbij zit; Yes! One of the lucky few!

Eerste Pinksterdag is het zo ver. In de brandende hitte meld ik mij op het eerste adres; een huiskamer in een nieuwbouwcomplex op het Beukenplein, behorend bij een man van middelbare leeftijd, voor de gelegenheid in het bezit van maarliefst twee Senseo-apparaten. Een tafel met bokkenpootjes, cakejes en melkcupjes wacht op de festivalgangers. Ik ben de eerste gast, in de woonkamer wordt nog nerveus geoefend. Quasi lui hang ik maar wat over de balustraden van de galerij en kijk naar de Indiase kinderen en hun plastic skelters beneden. De eerste andere festivalbezoekers blijken goede bekenden van Z.’s school! Ik ben totaal perplex; waan ik mij helemaal obscuur in dit marginale huiskamergebeuren, sta ik hier op de galerij ineens in dezelfde samenstelling als op het schoolplein! Ook bizar is dat ik juist vandaag voor het eerst het shirt draag dat ik hoogstpersoonlijk uit hun niet verkochte Koninginnezooi heb geplukt, zonder het hun te melden. Zij lijken niet verbaasd mij noch het shirt aan te treffen.

Het wordt drukker. Daar is zowaar ook vriend O. Tussen de Senseo-apparaten in schudden alle festivalgangers braaf elkaars handje. Het is het elkaar symbolisch feliciteren met het bemachtigen van een plek op dit felbegeerde festival. De gasten zijn tussen de 30 en de 50, aardig, kunstminnend en licht alternatief. Veel donkere brillen en afgetrapte cowboylaarzen. Ook is er één kunstminnende hond. Het eerste optreden in de huiskamer door een frêle Indiase schone met een laptop en een gitaar verloopt aarzelend, maar wordt met een warm applaus onthaalt. Dan verplaatst het gehele gezelschap zich, met fiets en al naar de volgende plek; een betegelde tuin in de Vrolikstraat.

Bij binnenkomst krijgt iedereen een glaasje jenever. Met de volle zon en de jenever voel ik mij zowel van binnen als buiten lekker warm worden. Op het menu staan improvisaties van K. op drums (bekend van de bekende band The Ex) en een andere Zaankanter op sax en klarinet, aangevuld met witte boterhammen roomkaas en ‘dooie vis’, zo luidt het kaartje op de schaal. Ik hoop dat de Vrolikstraat een beetje houdt van saxofoon en lallende mensen. De wijn vloeit rijkelijk en het tempo van verplaatsen ligt tamelijk laag. De verbroedering en verzustering verloopt goed, daar op die tegels van de Vrolikstraat.

Langs het Oosterpark vol met zonnende mensen lopen wij -the lucky few- richting Madurastraat, waar we getrakteerd worden op heuse balkonscènes: een acteur, een singer-songwriter en een klassiek koortje! De Marokkaanse dames op het bankje in de luwte slaan geen acht op ons en de acteur; zij hebben wel gekker meegemaakt. Bij het laatste balkon mogen we weer binnenkomen. Een heel huis volgeprakt met een voltallig koor en een steeds aangeschotener en talrijker publiek, want alle artiesten sluiten zich bij de groep aan. Terwijl de prachtige Mozart-klanken klinken vraag ik me af of de goudvis wel voldoende water heeft. Er is na afloop meer wijn en meer kletsen en hee, ik zit ineens op een vreemde WC!

In Delicatessen, een cultuurwinkeltje in Oost, wordt ‘ons’ festival afgesloten met een dwarsfluitende Ghanees, voorlezende vagende mannen en een waanzinnige act van een jongen die met een elektrische handschoen muziek uit zijn laptop tovert en een meisje die zomaar ineens een van de beste stemmen blijkt te hebben die ik ooit gehoord heb! Er is meer wijn, er is meer gepraat op straat, er wordt gelachen, iedereen is mijn vriend en er is zelfs pasta zonder bestek. Een meisje en ik besluiten ferm tot een ‘Pijp’-editie en we zeggen wel vijf keer ‘We gaan het echt doen, he’, tegen elkaar. Het wordt dan het ‘Ce n’est pas un pipe -festival’ of zij krijgt haar zin met ‘Pijpen voor een tientje’ (da’s de entreeprijs van dit goddelijke festival). Dikke kans dat we er morgen weer anders over denken. Maar morgen is morgen en vandaag is het feest.

Het wordt langzaam schemerig, de wijn is op, de eerste mensen rukken zich los uit deze roes. Als ik wegfiets, met de zwoele pinksterwind door mijn haren, kan ik alleen maar ongelofelijk blij zijn met deze ultieme intieme festivalervaring. Een tamelijk zeldzame combinatie van leuke mensen, fijne klanken, alcohol, warmte van de zon en druiven. Ik geloof even een jaartje geen Pinkpop voor mij!

http://wijsjesuithetoosten.blogspot.com/

dinsdag 18 mei 2010

Boosnië



Dit wordt geen grappig stukje. Het kan niet altijd feest zijn.

Ik was een kleine week in Bosnië. Wat een mooi land. Vanuit de bus zag ik prachtige heuvels, frisse groene weiden, paarden, boerenhuizen en moskeeën. Alles en iedereen zag er vredig uit. Maar schijn kan bedriegen. De mensen zijn er helemaal niet vredig; de meesten zijn nog steeds boos, verdrietig of allebei.

Boos omdat ‘de ander’ vijftien jaar geleden de vrede ruw kwam verstoren in een oorlog die nergens over ging. Een oorlog over vermeende verschillen, die na de oorlog pas echte verschillen zijn geworden, al was het alleen maar om te suggereren dat die oorlog echt wel ergens over ging. Na het vloeien van al dat bloed lijkt het, ook naar de slachtoffers, vreemd om de reden voor het ontstaan van de oorlog te bagatelliseren, dus trekt men zich terug in zijn eigen wereld.
Een wereld voor de Serviërs, een wereld voor de Kroaten en een wereld voor de Moslims.

De Bosnische jongeren die deel uitmaken van ons gezelschap waren pas twee of drie jaar toen de oorlog begon. Hun eigen herinneringen moeten vaag zijn, maar hun verhalen klinken alsof het gisteren was dat de oorlog begon. Ze zijn ermee opgegroeid, met deze verhalen, en hun levens zijn er voor een deel door bepaald. Ontbrekende ouders, gevluchte familieleden, gestolen huizen of slecht onderwijs; het heeft hen mede gevormd.

In Sebrenica zien we de lege fabriekshal waar de moslims schuilhielden op de Nederlandse UN-basis, voordat hen werd verzocht het terrein te verlaten en de mannen van de vrouwen werden gescheiden. Ook horen we hoe er nog steeds gezocht wordt naar de botten van de slachtoffers in de massagraven; door de ‘vijand’ nog eens even flink door elkaar gehusseld, waardoor soms een hoofd, een been of een arm van dezelfde persoon in drie verschillende graven wordt teruggevonden.
In Sarajevo proberen we ons voor te stellen hoe je tijdens de belegering moest oversteken op de ‘sniper-alley’, waar er met scherp geschoten werd op alles wat bewoog vanuit de bergen. Het is zaak, weten we nu, nooit als derde persoon over te steken, want de eerste wordt gezien, bij de tweede wordt aangelegd en de derde is raak. In Mostar zien we hoe de oude brug, symbolisch voor de verdeelde stad, is hersteld. Toch willen de meeste Kroaten van de ene kant en de moslims van de andere helemaal niet over de brug komen. Toeristen vormen er het voornaamste verkeer.

Ondanks al deze informatie blijft het voor ons, niet-Bosniërs, moeilijk om je echt een voorstelling te kunnen maken van een oorlogssituatie. Van hoe dat ruikt en voelt en proeft.

Op weg naar huis moet ik overstappen op de luchthaven van München. Vanwege de krappe overstaptijd worden ik en een aantal andere passagiers met een busje naar de veiligheidscontrole gereden. De man achter het stuur snauwt ons toe dat we hem moeten volgen, dat we onze mond moeten houden en dat we niet mogen SMS-en, terwijl hij praat. Ik ben vergeten te plassen, doe het bijna in mijn broek, maar ik mag van hem niet naar de WC. De beveiligingsbeambten halen ondertussen mijn hele koffer open en gooien alles dat zij categoriseren als vloeibaar (die regels zijn nogal vloeibaar) eruit. Van schrik vergeet ik bijna mijn jas en mijn riem mee te nemen. Ik zie nog net achter een hek mijn reisgenoten verdwijnen; er is geen gelegenheid om afscheid van ze te nemen, dus we zwaaien naar elkaar vanuit de verte. Wij worden, onder luide bevelen, snel weer het busje in gejaagd die met gierende banden over het vliegveld rijdt. De begeleider levert ons, met een overduidelijk plezier in zijn zogenaamde macht, tenslotte af bij het volgende vliegtuig.

Op de trap kijkt mijn Canadese medepassagier, die ik vanaf Sarajevo heb afgeleid van haar vliegangst, mij veelbetekenend aan. ‘This felt like being in a war-zone’, zeg ik. ‘Yes’, zegt zij ‘it’s an appropriate way to finish your program’.

woensdag 28 april 2010

De Opgieter


Mijn gehele weekend stond in het teken van gezond leven. Of moderner; ik was nogal in de weer met ‘wellness’.

Op zaterdag deed S. een cursus ‘eetbare planten’, waarbij haar door een moderne kruidenvrouw precies werd verteld welke blaadjes uit de tuin je wel en niet kunt eten. Blijkt toch dat je bijna je hele tuin kunt opeten! Ongelofelijk. Ik was mee om mij over het kind te ontfermen en mocht, als dank, meelunchen. Vooraf een wild kruidensoepje zonder zout (oei, wat miste ik het zout), een quiche met vergeten groenten (ze waren de groenten helemaal niet vergeten!) en als toetje een soort zuurdesem muffin zonder zoet (oei, wat miste ik het zoet). Na een dergelijk maal ben je je in elk geval weer bewust van je eigen verslavingsgraad. Afkicken dus van zoet en zout en hopen dat je ooit nog eens, bij het proeven van een zuurdesem muffin uitroept: ‘Ai, wat zoet, het glazuur springt van mijn tanden!’

’s Middags keken we ineens met hele andere ogen naar al die mooie paardenbloemen in de wei en al snel vermaalde ik de eerste bloem tussen m’n tanden. Lekker hoor, vooral die gele blaadjes, de knop lieten we zitten. Pinksterbloemen lieten we ook even staan, want die had S. nog niet gehad in de cursus. Wel demonstreerde ze vol trots hoe ze een brandnetel durfde te pakken, op te rollen en op te eten (truc: snel pakken en niet ‘erlangs aaien’, want dan gaat het juist fout). Echt puik spul, schijnt, die brandnetels. Je kunt er soep van koken en truien van breien. S. overweegt er een speciaal hoekje voor te reserveren in de tuin. Toen kleine Z., totaal geïnspireerd door mama, ook een brandnetel wilde pakken, ging het blijkbaar toch net iets te langzaam, waardoor we wel weer meteen op zoek konden naar een Hondsdrafje om over de zere plek te wrijven.

Zondag was het de beurt aan de uitwendige mens. Ik had met vriendin M. en vriendin W. afgesproken bij de Veluwse Bron; een mega saunacomplex op de Veluwe. In knusse badjassen gehesen betraden wij de ligweide. Eigenlijk was het veel te mooi weer voor een badjas, dus kreeg de sauna al snel de sfeer van de bloten billen camping. Hangend in de stoelen bekeken we de mogelijkheden: Hamam, Hydromassage, Scrubtempel, Gletsjergrot, Wildobservatiesauna, Pakistaanse Zoutsteenmijn, Royaal bruisbad, tropisch strand, neveldouche en zelfs een Goed Gespreksauna…. (Ik verzin dit niet, zou Sylvia W. zeggen). Je zou weer bijna gestrest raken van alle opties, maar dat is natuurlijk helemaal niet wellness.

We kozen dus maar gewoon voor het enige waar een lange rij voor stond; de Opgietsauna. Ieder uur waren er opgietsessies met klinkende namen en speciale geuren. Uitgangspunt van dit, oorspronkelijk Finse, concept is dat mensen bil aan bil in de sauna gaan zitten en dat een of twee ‘Opgieters’ water met een geurtje over de kooltjes gieten. Vervolgens verspreiden zij de hete lucht door middel van sierlijke, doch krachtige bewegingen van een handdoek over de mensen.
Ik was onmiddellijk gefascineerd door de Opgieters; in ons geval twee heren in geblokt lendendoekje, gecombineerd met een sportpolo met bedrijfsnaam. Ik dacht; dit is dus een nieuw beroep! Waar oude beroepen als smid en kruidenier verdwijnen, komen er, dankzij wellness, weer andere voor in de plaats! Ik staarde gebiologeerd naar de Opgieter, wat grof gebouwd, die tijdens zijn ‘dans’ met de handdoek, op de psychedelische klanken van Pink Floyd, helemaal leek op te gaan in zijn rol als ceremoniemeester. Het publiek kreeg van die handdoek steeds een hete ‘veeg uit de pan’, die met instemmende klanken werd ontvangen. De Opgieters hielden in alle hitte gewoon stoer hun polo-shirtjes aan en namen dankbaar het luide applaus na afloop in ontvangst. Het kreeg ineens iets van een leeuwentemmers-act in een circus; de zweepjes vervangen door een handdoek en het aangekleede publiek vervangen door naakte mensen. Voor de liefhebbers was er daarna ruimte voor een sprong in het koude meer. De Opgieters sprongen, zonder poloshirt, als eerste kwiek het water in, terwijl ik vanaf het strandje bewonderend toekeek.

Ik hoop dat ze beroepskeuzetesten aanpassen aan de ontwikkelingen in de maatschappij. Ik pleit ervoor dat de ‘Opgieter’ terstond wordt toegevoegd aan de lijst van mogelijke beroepen. Het lijkt me namelijk een prachtvak.

dinsdag 20 april 2010

Specht


Kleine Z. wordt iedere morgen wakker van het keiharde getik van een specht. En dat midden in de stad! Zou het soms een stads-specht wezen? Hij heeft zich keurig aangepast aan de omstandigheden en is, net zoals bij mensen, een tikje (of tokje?) luidruchtiger dan zijn provinciale variant. Deze specht hamert namelijk niet meer op een boom (hopeloos ouderwets), maar op een Pvc-buis, zodat zijn tok schalt over het gehele WG terrein. Niets vermoedende passanten kijken steeds onderzoekend in het rond als ze het typerende geluid horen; is dat nou een specht? De specht verschuilt zich ondertussen gierend van het lachen achter zijn Pvc-buis; echt kicken, die echo hier tussen die huizenblokken!

Ondanks het feit dat er spechten in de stad blijken te wonen, willen S. en ik toch een weekendje de stad uit. Er is tenslotte nog meer natuur te beleven! Ons reisdoel is Herberg Het Volle Leven in Appelscha. Al zeven jaar lukt het ons niet om daar eens te belanden, maar nu lijkt het zowaar toch een keer te gaan gebeuren. We fietsen vanuit Meppel naar Appelscha en genieten van het wonderschone landschap en de stilte onderweg. Dromerige schapen in heideachtige landschappen en aangeharkte tuintjes rond veel te grote en mooie boerderijen. Wat een weldadige rust heerst hier op een lome vrijdagmiddag! Weer eens wat anders dan in het weekend ‘lekker erop uit te gaan’ om dan vervolgens de gehele Randstad tegen te komen tijdens een NS-dagtocht!

Bij de herberg genieten we moe en voldaan van een glaasje in de laatste zon. Het is echt anders zo, zonder kind erbij. Veel meer aandacht voor elkaar, veel meer rust. Die is echter van korte duur. Tijdens het diner in de herberg staat ons tafeltje voor twee naast de grote familietafel, waar vier kleine kinderen om het hardst om aandacht brullen. “Marjo, toe nou, nog een laatste hapje…..” “Olivier, kom eens even bij mamma”. De herberg lijkt gevuld met kinderstemmen en ook de andere Grote Mensen tafels zijn er een beetje stil van. Misschien waren er meer mensen die een avondje ‘zonder’ hadden gepland? We negeren de kleuters in pyjama op de gang als we onze kamer opzoeken. We negeren de opgewonden kinderstemmetjes aan de andere kant van de muur als we in bed gaan liggen. Onze nederige wens is een lange nacht slaap in de stilte van de Drentse nacht. Laat ons voor een keer niet te vroeg gewekt worden door een kind…

Tok, tok, tok! Het is een specht die ons veel te vroeg wekt. Weliswaar eentje die nog ambachtelijk met hout werkt, maar ook door het in alle haast aangebrachte hoofdkussen op je oor, kun je hem nog best goed horen.

Uitslapen, kinderloos, spechtloos; het is allemaal ijdele hoop dit weekend. Maar goed, Drentse kinderen en Drentse spechten klinken toch echt heel anders dan we thuis gewend zijn. Morgen gaan we weer opgeladen terug naar het Amsterdamse grut dat praat met een 'Kinderen Voor Kinderen-accent' en onze Pvc-specht.

zondag 11 april 2010

Tweede leven



Ineens vind ik dat ie eruit moet: mijn bank. Nog maar een paar jaar geleden aangeschaft na een verschrikkelijke zoektocht langs alle bankzaken van Nederland en nu al niet meer toereikend bevonden. Hij hangt wel lekker, maar hij zit niet zo en je kunt er al helemaal niet prettig op converseren met twee mensen. Niet dat ik dat ooit doe, maar het moet natuurlijk wel kunnen! Het is een soort sofa, zo een waar je ellenlange Freudiaanse monologen op kunt liggen voeren, maar dat wordt toch niet meer vergoed, dus weg met die bank!

Ik begin weer opnieuw aan een verschrikkelijke zoektocht langs alle bankzaken van Nederland. Ik sleep mezelf winkel voor winkel door Villa Arena, waar ik duizelig van de prijzen, de modellen en de naargeestige sfeer mij nog net, met de nodige mueslirepen tegen de onvermijdelijke suikerdips, heen weet te slaan. Ik vind het ook altijd zo zielig dat er nog mensen zijn die in dat soort winkels moeten werken. Hopelijk zijn ze gek op Facebooken, Sudoku of zich ontiegelijk vervelen, want klanten zijn er verder niet.

Op de Rozengracht stap ik nietsvermoedend een bankzaak binnen en vlij neder op een niet al te beroerd ogend bankje. Als ik het prijskaartje omdraai, blijkt er toch echt € 9.000 te staan, waarna ik, vriendelijke knikkend het pand weer snel verlaat. Zo zit ik, op mijn sokken om het loungegedeelte niet te besmeuren, op diverse canapeetjes door de hele stad. En ik word maar niet verliefd. Uiteindelijk slaat de vonk toch over in Zaandam; altijd al een stad die ik met romantiek associeer. Ik heb haar meteen gespot in de grote hal van Loods 5: ze is bruin en breed, heel meegaand, je kunt heerlijk op haar liggen en ze is ook nog eens in de aanbieding.

Mijn nieuwe liefde zal over twee weken bij mij thuis worden afgeleverd. In de tussentijd poog ik mij te ontdoen van mijn oude bank. Dat blijkt nog geen sinecure. Ik schrijf voor Marktplaats wervende teksten, maak zonnige foto’s en bel drie keer de advertentie ‘omhoog’, maar ik raak haar aan de straatstenen niet kwijt. Het enige bod dat er is, wordt stilletjes ingetrokken. De volgende fase lijkt mij de kringloopwinkel, maar die doen geen zaken in De Pijp of ze hebben een wachtlijst van tien dagen. Bovendien doen ze niet aan takelen. Voor alle mensen op 3 hoog, die niet 24-uur een takelploeg klaar hebben staan, toch een behoorlijke hindernis.

Op de dag van bezorging gaat dus de nieuwe erin en de oude er gelijk uit. Op deze zomerse dag kijken alle mensen op de terrassen in mijn straat hoopvol toe of ze misschien nog getuige mogen zijn van een fijn takelongeluk; iets met een geplette hond of een kapotte etalage, maar alles loopt gesmeerd. De buurvrouw van de winkel maakt speciaal een bord met ‘Gratis, meenemen aub’ en ik spreek actief voorbijgangers aan of ze mijn bank willen hebben. Niemand wil. De volgende fase is bij het grofvuil. Ik loop die avond nog vijf keer naar buiten, hopend op een kraker met een bakfiets die altijd al op zoek was naar een ‘zonnig gouden sofa’.

Als het zachtjes begint te regenen zijn eerst de kussens weg en daarna het onderstel. Godzijdank. Krijgt mijn oude bank toch nog een welverdiend tweede leven. Doodmoe van alle recyclepogingen nestel ik mij tevreden op mijn nieuwe bank.