zondag 24 oktober 2010

Mannen met baarden



Mannen met baarden hebben het moeilijk de laatste jaren. Vooral als ze er een Djellaba bij dragen of zich overduidelijk dichtbij een moskee ophouden. Toch ken ik een plek waar de man met de baard mij een warm gevoel bezorgd; bakker ‘Mediterrane’ aan het einde van de Haarlemmerdijk.

Al jaren wordt deze drukbezochte bakkerij gerund door een aantal – naar ik vermoed Marokkaanse –mannen met baarden, die goedgeluimd allerhande spijzen verkopen. Een heel divers assortiment puttend uit de patisserie-traditie van Lille tot aan Agadir. Dus wel een Franse ‘Flan’, maar geen Moorkop. Geen Duits zuurdesem, maar wel plat Marokkaans brood.

Vorige week stapte ik er sinds lange tijd weer eens binnen. Mijn ex, die daar om de hoek woonde, is verhuisd, dus ik kan weer mij weer vrijelijk begeven in haar oude zône. Met het binnenstappen van de winkel, door honger gedreven, herinner ik mij weer de goede sfeer die je als een warme Sahara-wind op een regenachtige herfstdag tegemoet waait.

Ik nestel mij aan een van de eenvoudige tafeltjes achter in de winkel en bestel een traditionele muntthee (anders dan hippe muntthee) bij mijn warme quiche. Buiten is het koud en binnen komen er steeds meer Marokkaans sprekende mannelijke klanten aan de tafeltje zitten. Het Arabisch dat wordt uitgewisseld tussen de klanten en de mannen met baarden achter de toonbank, geeft mij het gevoel op een zonovergoten dorpsplein in Meknès te zijn beland. Ook de muntthee helpt hierbij.

Wat zit ik hier knus, tussen al die ‘enge’ moslimmannen! Niks geen broeierige blikken naar mij, een blonde vrouw alleen aan een tafel. Aan de muur hangen portretfoto’s van de klanten; geen blije Benetton-foto’s, maar een mooie dwarsdoorsnede van de Amsterdamse bevolking. Er hangen mensen van werkelijk alle soorten, kleuren en leeftijden.

Ik besef ineens dat in onze zogenaamde multiculti-stad maar bitter weinig plekken zijn waar het lukt om een goeie mix van mensen te trekken. Zo’n mix waarbij je je op je gemak voelt. Ik zou niet snel neerploffen in een gemiddeld Turks theehuis om een potje mee te kaarten met de mannen. Net zo min als een gesluierd Marokkaans meisje snel een echte Amsterdamse bruine kroeg in zou stappen (ikzelf trouwens ook niet, bij nader inzien). Met moeite kom ik, denkend aan een gemêleerd klantenbestand, op De Ponteneur in Oost en misschien Podium Mozaïek in West. Een schrale oogst voor een stad waar zoveel verschillende mensen wonen.

Hier in Bakkerij Mediterrane is die mix zo vanzelfsprekend, dat het bijna weer op gaat vallen, denk ik, als ik buiten in de gure wind op één been probeer mijn regenbroek aan te trekken.

Wijsjes II


Geheel in lijn met het nieuwe regeerakkoord bewijst misschien wel het kleinste popfestival van de wereld ‘Wijsjes uit het Oosten’ dat het zonder subsidie kan. Op bijna verontschuldigende toon wordt aan het begin van de festivaldag medegedeeld dat de biertjes (à 1 euro) tijdens het laatste optreden toch misschien niet helemaal zijn inbegrepen bij de entreeprijs. De entreeprijs bedraagt namelijk ‘al’ 10 euro. Voor dat geld krijg je in meer dan zeven uur ‘slechts’ zeven concerten, broodjes, jenever, wijn, koekjes, koffie, olijven en dadels voorgeschoteld. Laat Rutte deze succesformule niet ter ore komen, want voor je het weet wordt het Concertgebouworkest voortaan gedwongen om gratis in jouw woonkamer te komen spelen.

Wijsjes heeft een aanstekelijk soort enthousiasme. Twee bezoeksters van de vorige wijsjeseditie stellen onmiddellijk hun huis in ‘Diep Watergraafsmeer’ beschikbaar voor het eerste optreden. Ik herken de twee Senseo-apparaten op hun aanrecht van de vorige editie. Clara, een van de gastvrouwen, opent de middag door bijzondere klanken te toveren uit een Logwood (modern Afrikaanse xylofoon) en een Hang (Zwitserse uitvinding: denk aan twee op elkaar gelaste wokpannen). In de zonnige woonkamer neemt Bloem de Ligny het over (Jaah, what happened to Bloem??). Zij zingt tegenwoordig zeevrouwsliedjes. Het deuntje van de ijscoman buiten vermengt zich door de openstaande deur prachtig met haar, nog steeds ijle en karakteristieke, muziek.

Het volledige gezelschap verplaatst zich van ‘diep Oost’ naar de Indische buurt. Tijdens de wandeling passeren we de allerlaatste marathonlopers, of liever marathonstrompelaars. Hoeveel kilometer is zo’n marathon eigenlijk?, vraagt een festivalganger. Cultuur en sport is altijd een lastige combinatie. We belanden in de woonkamer van Oscar Jan. De kamer is klein en de klanken zijn fors. Oscar Jan is aan het klussen en duwt zijn schuurmachine voor een versterker. Zijn collega stopt zijn sopraansaxofoon in een teiltje water en blaast zich een ongeluk voor een piepend geluid. Experimentele klanken voor de liefhebber.

In de Eerste van Swindenstraat, boven de Zeeman, komen we in een prachtig huis terecht. Als het muzikaal tegen zit, dan loont het altijd nog om huizen te kijken; met een schuin hoofd probeer ik CD titels en boekenkaften te lezen en verder geniet ik van de schilderijen. Marijke zingt, terwijl Oscar Jan begeleidt. Ik vind Oscar Jan beduidend beter op de piano dan op de schuurmachine en Marijke is ontwapenend met haar liederen, waarvan ze er één ook achterstevoren zingt. Mark heeft een hele batterij pedaaltjes voor zijn elektrische gitaar waar hij erg druk mee is. Hij ‘sampelt’ zelfs Marijke nog even en test of ze haar lied écht achterstevoren heeft gezongen.

Verder gaat de tocht richting Middenlaan. Daar luisteren we naar liedjes met een kop en een staart van Coldair, een Poolse singer-songwriter. Het publiek wordt langzaam soezerig bij de ingetogen nummers en de Pool probeert stoïcijns het geloop en geklets van de aanwezige kleuters te negeren. Hup, de kou weer in (Coldair); even wakker worden. Over de Transvaalkade gaat de stoet. We vangen zelfs nog een glimp op van mevrouw Halsema aan haar keukentafel.

De laatste optredens zijn in een schitterend opgeknapt pand in de Marcusstraat. Een ontdekking in een straatje dat ik altijd net niet insla. Terwijl Analogic Sound Project de eerste bezoekers aan het dansen krijgt, eten we couscous en salade zittend op de houten vloer. Allemaal bij de prijs inbegrepen. Het dessert bestaat uit de pretentieloze ska van de band Off-topic. De mannen hebben plezier en de bassist doet het gewoon op zijn sokken.

Het was weer fijn en eigenwijsjes. Ben alweer benieuwd naar de volgende.

http://wijsjesuithetoosten.blogspot.com/

dinsdag 24 augustus 2010

Vlot





Het was natuurlijk ook al riskante onderneming. Een voorstel van S. Zij is echt een ‘outdoor-type’. Ik heb wel een outdoor-jas, maar niet de bijbehorende mentaliteit.

We melden ons in Midden-Zweden aan bij de receptie van ‘Vildmark i Värmland’ waar we vanuit Nederland een ‘avontuurlijke houtvlottentocht’ hebben geboekt. In Nederland denken we nog aan een tocht van vier dagen, maar S. weet ineens zeker dat dat veel te kort is om de ervaring ten volle te kunnen beleven, dus we kunnen het gelukkig ter plekke omboeken naar zeven dagen. Ik staar vertwijfeld naar het logo ‘Unforgettable Outdoor Experiences’ en besef dan al dat dat van alles kan betekenen.

Naast de receptie staat een Nederlands jongetje van een jaar of elf met herten-ogen en een Brabants accent: ‘Wij zijn vorig jaar niet op vakantie geweest’ zegt hij. ‘We hebben twee jaar hiervoor gespaard. Onze buren thuis hebben ook een vlottentocht gemaakt.’ Mijn hart breekt, vooral als ik besef dat ik ongeveer een week geleden nog niet eens wist dat ik deze blijkbaar langgekoesterde wens van anderen ook ging beleven. Met de nodige reserves nog wel. Verwend kreng.

’s Avonds is de voorlichting. In zeer traag Engels met een zwaar Zweeds accent. De tien ‘teams’ van mensen die morgenochtend vroeg allemaal ook een vlot gaan bouwen bestaan voornamelijk uit Nederlandse families. In hun beste Engels proberen de Nederlanders de meest bijdehante vragen te stellen. Maar dan wordt het menens; we moeten oefenen met knopen. Alle vaders zwetend in de weer met blauwe touwen. Ik piep ertussen uit om moeder de vrouw te gaan halen. Knopen is zeg maar niet helemaal mijn ding.

De hele avond wordt gevuld met het selecteren en in zeewaardige kisten stoppen van onze spullen. Zo min mogelijk meenemen is toch ook niet helemaal mijn ding. Er gaat voor een week eten mee aan boord. Totaal uitgeput gaan we slapen en worden om 6 uur gewekt. Vroeg opstaan; helemaal mijn ding! Om 7 uur vertrekt iedereen, inclusief bagage, met een grote bus een uur rijden stroomopwaarts, naar de plek waar we ons vlot gaan bouwen. Dat mogen we zelf doen; allemaal bij de prijs inbegrepen. Het jongetje met de herten-ogen zit deze vroege ochtend witjes naast zijn moeder. Ik kijk steels in hun richting en probeer me voor te stellen waarom dat sparen nou zo lang geduurd heeft.

In de regen staan we in een kring rond de twee instructeurs. Uit grote stapels boomstammen moeten we er steeds tien selecteren, de heuvel afrollen en in het water aan elkaar vastbinden met ingewikkelde knopen. De boomstammen zijn loodzwaar. Af en toe rolt er een heel hard naar beneden richting een mensenbeen, dan klinkt er luidkeels: ‘Watch out: log!’. De tien teams communiceren niet meer met elkaar, lijkt het wel, terwijl je toch allemaal in hetzelfde schuitje zit, zou je zeggen. Het is ieder voor zich en twee instructeurs voor ons allen.

Wat ben ik blij met onze -in de laatste supermarkt aangeschafte-tuinhandschoentjes! Zonder handschoenen zijn de stammen niet te hanteren. Ik stap met mijn outdoorjas met fleecevoering tot mijn middel het water in; dat moet van de instructrice. Ik bedenk in een flits dat dit mijn enige droge jas was en dat de weersvoorspellingen voor deze week uitermate beroerd zijn. Het regent nog steeds pijpenstelen. We sjouwen. We zwoegen. We willen ons als enige vrouwenteam niet laten kennen, maar we bezwijken bijna onder de stammen. Na de hele ochtend in de regen is er één vlot af. Dat is dan de helft, zegt de instructrice monter. De bedoeling is dat we er twee aan elkaar maken. Oh. Eerst maar eens lunchen dan. Als we terugkomen van een droog broodje, waarbij de wind door onze natte kleren blaast, blijken onze zorgvuldig geselecteerde dunne stammetjes gejat door de Engelse jongetjes van het team naast ons. We liggen in tempo nu duidelijk achter op de andere teams. De dikke familie in shorts met Friese vlag is al bijna klaar om uit te varen. De Engelse jongetjes moeten van hun vader meehelpen om nieuwe paaltjes voor ons te vinden.

Tegen de avond, het regent nog steeds, hebben we een vlot van bijna 2 ton, drie lagen boomstammen en een leefoppervlak van 6 bij 3 meter. Op de helft staat een tent, waar de spullen onder staan. Ook al zijn we bekaf, we laten ons toch, als laatste team, wegdrijven op de stroming om in godsnaam niet onze tent op te hoeven zetten op deze miezerige bouwplaats.

Het vlot is lood en loodzwaar. We kunnen met palen en peddels enigszins onze koers beïnvloeden, maar eigenlijk zijn we overgeleverd aan de stroming. Om aan te leggen op een van de weinige geschikte plekken springt S. ver van te voren in de kano (hebben we erbij besteld, een ‘luxe’ volgens de folder) met een lang touw, peddelt zich gek naar de kant, springt uit de kano en slaat het touw twee keer om een dikke boom. Zo trekt het touw het zware vlot naar de kant. Ga je bij het aanleggen in de verkeerde lus staan, ben je zo je voet kwijt. Ben ik even blij met een ervaren kapitein die ooit grote schepen op die manier heeft aangelegd! Ik zelf zou zeven dagen noodgedwongen op het water hebben moeten slapen.

Tot tien jaar geleden werden op deze rivier losse boomstammen vervoerd. Ter nagedachtenis aan deze handel is dit houtvlotavontuur bedacht. Toch een mooie gedachte. Daarbij reizen we in een aangenaam tempo, zonder hulpmiddelen en totaal geruisloos. De tweede avond zien we dan ook in de schemering een bever dichtbij langs zwemmen. Ook onze kleren zijn alweer bijna droog. Het gaat goed met de humeurmeter.

Halverwege is het crisis. Niet eens alleen omdat mijn koekvoorraad voor de hele week al op is. Tijdens het plassen glijdt mijn mobiel uit mijn zak het water in. Dag bereikbaarheid, 200 bewaarde Sms’jes en alle -in tien jaar tijd- opgespaarde telefoonnummers! Ik krijg een driftaanval als nooit tevoren, en dat op een vlot van 3 bij 6. Z. fluistert weggedoken onder het tentzeil ‘Mam, Chrissie is wel boos, hè’ en uitgerekend als ik net lekker op dreef ben met mijn scheldkanonnade komt er een kano met twee Nederlanders langzij.

We varen graag ’s avonds; dan is het zo mooi stil. Eén avond lopen we vast op een zandbank. Hier zijn we voor gewaarschuwd. Als je niet snel handelt, zuigt het zware vlot zich vast in het zand. Na tevergeefs geprik met stokken, herinner ik me vaag de instructies. Ik kleed me uit in de schemering en spring in mijn ondergoed in het koude water. En koud water was al nooit helemaal echt mijn ding! S. volgt al snel. Met alle kracht die we hebben duwen we het vlot steeds een kwartslag rond, in de hoop dat we hem zo losduwen. Het kind ligt godzijdank nietsvermoedend te slapen op het vlot in haar outdoor-mummy-slaapzak. Na twee uur buffelen hebben we bijna geen kracht en hoop meer over. Moeten we dan toch het alarmnummer te bellen? Dan raakt het vlot toch in dieper water. We zijn los. Tijd voor een omhelzing is er niet. We zien geen hand voor ogen door de opgekomen damp. Met een bevroren lijf en weinig woorden weten we ergens aan te meren, de tent nog op te zetten om vervolgens met ijsbenen in de slaapzakken te zakken. “Dit is geen vakantie, dit is werk”, zingt Marijke Boon. Maar er maar gerust overleven van.

We varen weer een dag zonder ergere tegenslagen dan bijtende muggen en kapotte hengels. Tegelijk met het vlot van de Engelsen belanden we de laatste dag in ‘keerwater’. Na vier uur peddelen en ingenieuze ideeën van onze kapitein, lukt het ons uiteindelijk ook dit obstakel te overwinnen. Ik herhaal stilletjes de mantra: ‘obstakels zijn uitdagen, geen problemen, obstakels zijn …..”
S. bakt pannenkoeken aan boord en leest Z. voor uit Pipi Langkous. We passeren de Engelsen, die weer op een zandbank zijn gelopen. Wij drijven voorbij, kunnen niet stoppen en roepen:‘Good luck!’

Op de afgesproken dag meren we weer aan bij ons beginpunt. De verse gezinnetjes staan reikhalzend klaar voor vertrek. Hun avontuur moet nog beginnen. Ik probeer zo eufemistisch antwoord te geven op hun naïeve vragen en ze voor te bereiden op een ‘pittig tochtje’. Dan moeten we ons eigen vlot uit elkaar halen in het water. Dat is ook nog allemaal bij de prijs inbegrepen. Meewarig kijk ik onze boomstammetjes na die zelfstandig de rivier afglijden. Mijn oog valt op het treffende logo op de inmiddels lege scheepskist: ‘An unforgettable Outdoor Experience’. Het jongetje met de herten-ogen hebben we niet meer gezien. Hopelijk had hij net zo'n droomvakantie.

maandag 23 augustus 2010

Pipi


We zijn in Zweden in ‘Lindgrens World’; een park waar alle karakters die Astrid Lindgren bij elkaar heeft verzonnen tot leven komen. Emile zit er een houten punt aan een stok te slijpen in zijn schuurtje, de gebroeders Leeuwenhart zitten te vissen op een bruggetje en Karlsson van het dak kietelt het publiek, terwijl kinderen de propeller op zijn rug in beweging proberen te krijgen. Maar iedereen komt toch het meest voor dat ene kleine meisje; die met sproeten en rood haar. Iedereen komt uiteindelijk voor Pipi Langkous.

In de stromende regen, op de klanken van ‘Twee maal drie is vier, wiedewiet en twee is negen!….”, volgen we de bordjes naar Villa Kakelbont. En……. Ja hoor! Achter de heuvel doemt de felgekleurde villa van Pippi op! En ze is nog thuis ook! Pipi loopt met haar grote schoenen heen en weer over het terrein met een hele groep kinderen in haar kielzog. Soms klinkt er een begintune door de speakers, moet iedereen gaan zitten en dan begint er een scène, waarin Pipi bijvoorbeeld haar paard op tilt, haar vader thuis komt van zee of waarin Pipi de sterkste man van de wereld verslaat. Tussen de scènes door mogen alle kinderen over het hek van Villa Kakelbont stappen om samen met Pipi in een boom te klimmen of iets anders leuks te doen.

Ik zie een kleuter over het hek stappen en doelbewust op Pipi’s been aflopen. De kleuter omhelst het been van Pipi hartstochtelijk en blijft roerloos staan, terwijl ze gelukzalig “Pipi” prevelt. Dit is echte liefde. Dat kan niet missen. Ook alle andere kinderen (onze Z. niet uigesloten) lijden aan een grote mate van adoratie voor dit sterke, brutale en eigenwijze kind. Dat kind dat alles zegt en doet dat zij nog niet durven of kunnen, maar Pipi mooi wel! De ouders uiten het anders, maar ook zij zijn een beetje opgewonden dat ze Pip in het ‘echt’ ontmoeten, dat zie je zo.

Ondanks dat Pipi heel authentiek gewoon Zweeds praat, ligt Z. de hele tijd in een deuk. Of Pipi nou een gieter uitstort boven de twee agenten Kling & Klang, twee zeerovers met hun koppen tegen elkaar slaat of zich stiekem verstopt met Annika en Tommy. Deze humor is helemaal goed voor deze 6-jarige en stijgt blijkbaar boven de taalgrens uit. Als wij voorzichtig opperen om ook wat van de andere figuren te bezoeken, is er dan ook weinig enthousiasme. Door te suggereren dat Villa Kakelbont soms dicht is, lukt het ons uiteindelijk toch om ook de andere delen van het park te zien. Er zijn miniatuurstraten waar je je een reus voelt, je kunt stelten lopen en er loopt een geinig bandje rond die allerlei lekkere Lindgren-deuntjes spelen.

Alles is hier mooi verzorgd; goed acteerwerk, goed eten en geen plastic vermaak. Spontaan krijg ik een ingeving. Waarom maken we in Nederland niet een Annie MG Park? Ik zie het al helemaal voor me. Het Hazelbos van Pluk met echt fruit en alle kinderen die op een meterslang paard Langhors mogen rijden. Een pontje met de Heen en Weerwolf. Jip en Janneke die scènes spelen door een gat in de heg en met een heuse jaren vijftig moeder. Otje, die haar vader Tos helpt in de keuken met een levengrote pan soep, waar de bezoekers dan echt van mogen eten. Als je wilt meedenken, dan hoor ik het wel….En Annie & Astrid; bedankt voor al die mooie creaties; al generaties lang onverslijtbaar populair.

www.alv.se/en

zaterdag 17 juli 2010

Loon naar werken?


Soms ben ik in de war over dingen waar andere mensen nooit van in de war raken. Althans, dat vertellen ze mij dan weer niet. Maar misschien heb ik het jou ook nog nooit verteld, dus hier komt ie dan.

Dan vraag ik me bijvoorbeeld af wie de salarisschalen heeft bedacht. En vooral wie er heeft bedacht welke functie hoort bij welke salarisschaal. Aan deze indeling liggen quasi rationele redenen ten grondslag, zoals dat lagere lonen worden gegeven aan mensen die eenvoudiger werk doen. Een simpele rondgang door een kantoor doet je beseffen dat het lastig is om te definiëren wat eenvoudig werk dan is.

Heb je wel eens geprobeerd de gemiddelde baas een briefje te laten uitprinten uit het adressensysteem, een Excel-sheetje in te laten vullen of de notulen laten maken? Inderdaad, voor de gemiddelde baas zijn dat GEEN eenvoudige opdrachten. Een administratief medewerker, traditioneel lekker laag ingeschaald, doet dat allemaal op zijn of haar boerenfluitjes. Het werk van de meeste bazen, traditioneel lekker hoog ingeschaald, bestaat voornamelijk uit het voeren van overleg, ook wel vergaderen genoemd. Hierbij is het de kunst om, mocht je al de kans krijgen te spreken, iets te zeggen dat verstandig klinkt en hiermee je reputatie als verantwoordelijk persoon te bestendigen. Het komt er voornamelijk op neer dat je de hele dag op je luie reet andere mensen aanhoort, terwijl je koffie drinkt uit een papieren bekertje. Dat terwijl het echte werk wordt gedaan door de mensen die zich behoorlijk wat treetjes lager op de carrièreladder bevinden. Wat moeilijk is voor de een is niet moeilijk voor een ander. Niet erg, maar waarom hangen er dan zulke enorm verschillende prijskaartjes aan verschillend werk?

Mensen krijgen een hogere beloning voor het feit dat ze meer verantwoordelijk dragen, hoor ik je denken. Dat is ten dele waar, al is er in veel gevallen altijd nog wel een bovenlaag op wie je de verantwoordelijkheid kunt afschuiven. En dan kan ik het niet nalaten me voor te stellen wat er zou gebeuren als alle ‘lager-ingeschaalden’ werk zouden weigeren. Dan wordt het een puinzooi van hier tot Tokyo en dan hebben de bazen tot overmaat van ramp niets meer om over te vergaderen. Dat is pas een verantwoordelijkheid; er voor zorgen dat je baas iets wezenlijks heeft om over te lullen! Alle ‘hoger-ingeschaalden’ zouden maar mooi door de mand vallen met hun zelfgecreëerde extra bestuurslagen. En dan heb ik het nog niet eens over de verantwoordelijkheid die de telefonisten, hulpverleners, verzorgers, winkelbediendes en secretaresses hebben naar hun klanten of de mensen waar zij direct of indirect voor werken. Even verslappen betekent toch al snel dat je mensen verkeerd voorlicht, laat stikken in een hoestbui, per ongeluk een dienblad met cola’s over iemand heen giet of een oudje laat glippen onder de douche. Heel wat ernstiger consequenties dus, dan wanneer je even afdwaalt tijdens een overlegje.

De hoogte van het loon zou ook te maken hebben met je opleidingsniveau. Dat is voor een deel waar, maar heel veel mensen gebruiken hun opleiding in de praktijk helemaal niet in hun werk. En dan nog; iedereen wordt geboren met andere kwaliteiten. Waarom staat al vanaf het begin vast dat werken met je handen minder oplevert dan werken met je hoofd?

Eigenlijk denk ik dat de hoogte van het loon zou moeten afhangen van het aantal mensen dat ook graag jouw werk zou willen doen. Hoe minder mensen dat willen, hoe hoger is jouw loon. Marktwerking dus. Vuilnisman….wie biedt? Niemand? Eenmaal, andermaal…. Dat betekent dus dat de vuilnisman vuilnisbakken met geld gaat verdienen! Dat is toch veel logischer en eerlijker? Financiële compensatie voor de zwaarte of het ongerief van het werk. Kies maar: marktkoopman op de Albert Cuyp, zes dagen in de week van zeven uur 's ochtends tot 7 uur 's avonds werken in weer en wind of toch liever een verwarmd kantoortje? Wie wil er graag billen afvegen in het bejaardentehuis? Niemand? Oké, dat betekent dus een vette bonus voor de mensen die daar wel toe bereid zijn. Waarom is het omgekeerde het geval? Waarom worden kut-klussen het slechtst betaald?

Mocht ik, op een boze dag, nog eens wakker worden als minister-president, dan zou ik het experiment wel aan willen gaan. Iedereen even twee weken van baan ruilen. De consultants op de vuilniswagen en de stratenmakers lekker de hele dag overleggen. Kunnen die ruggen en knieën ook een beetje bijkomen. En die grote Onbekenden, de salarisschaal-bepalers, zou ik de meest vieze en nare klusjes geven. En dan eens kijken hoe de salarisschalen er na twee weken uit zien. Viva la revolución!

Zo, dit moest er blijkbaar nog even uit. Nu ga ik ook heus wel gewoon braaf op vakantie.

vrijdag 9 juli 2010

De drie V's


Victorie, Vreugde en Vuvuzela in de Marnixstraat....

dinsdag 6 juli 2010

Forever Young


Deze afgelopen maand werd wel weer duidelijk dat ik een jonge geest ben in een ouder wordend lichaam.

De meeste mensen groeien mentaal keurig mee met het aantal jaren dat zij reeds hebben doorgebracht op deze aarde. Daarmee bedoel ik dat ze 24-jarige dingen doen en denken als ze 24 zijn. Ik zou volgens deze theorie 37-jarige dingen moeten doen en denken. Dat proces verloopt bij mij echter anders. Gevoelsmatig doe en denk ik als een, laten we zeggen, 30-jarige. Mijn mentaliteit loopt dus minstens 7 jaar achter op mijn fysieke omhulsel.

Met stijgende verbazing heb ik de afgelopen jaren om mij heen gekeken en gezien hoe mijn leeftijdsgenoten zich moeiteloos overgeven aan huwelijken, het baren van reeksen kinderen, het aangaan van huizenhoge hypotheken en het accepteren van werkelijk serieuze banen. Nog de meeste steun voor mijn trage acceptatie van het feit dat je leven blijkbaar in deze richting dient te veranderen kreeg ik van de vriendjes van mijn vriendinnen die begin 30 ook echt nog niet aan de kinderen wilden. Inmiddels heeft ook deze groep mij verlaten en loopt zwaar volwassen rond te paraderen met een maxi-cosi in de ene en een volle agenda in de andere hand.

Afgelopen maand mocht ik, net als ieder jaar, weer een groep van drieëntwintig Amerikaanse, Nederlandse en Bosnische studenten trakteren op lezingen, excursies, documentaires en workshops over mensenrechten en minderheden in Nederland. Hoewel ik verantwoordelijkheid droeg voor het dagprogramma (ja, ja, dat heb ik als 30-jarige al geleerd: verantwoordelijkheid dragen), heb ik minstens zo genoten van het avond- en het nachtprogramma. Eindelijk weer standaard een groep mensen in de stad om je bij te voegen in het park, op het terras of in een restaurant. Eindelijk weer dat collectieve ‘lang leve dit leuke leven’, in plaats van die teruggetrokken gezinnetjes die zich stijf van de stress geen spontane uitstapjes meer kunnen veroorloven. Of de 'singles' die toch uiterlijk wel om 21.00 uur in bed willen liggen, teneinde de volgende dag weer fris op kantoor te verschijnen. Eindelijk weer dansen tot half zes ‘s morgens in Studio K of de Melkweg en met een plakkende broek van het zweet in het eerste licht en onder begeleiding van vogelgezang huiswaarts fietsen.

Ik zweef tussen twee werelden; de studenten tolereren mijn aanwezigheid en vragen zich in stilte af of ik wel een eigen leven heb. Mijn vrienden lachen minzaam om mijn rusteloosheid en vragen zich in stilte af wanneer ik nou eindelijk een keer volwassen word.

In navolging van het begrip ‘gevoelstemperatuur’ wil ik hierbij een lans breken voor het begrip ‘gevoelsleeftijd’. Laten we onszelf hergroeperen, niet op basis van onze werkelijke leeftijd, maar op basis van hoe oud we ons voelen. Ik word, zoals aangekondigd, graag lid van het groepje 30-jarigen. Zullen we, om goed van start te gaan, komende zaterdagavond lekker uitgaan in Paradiso? Ben benieuwd of mijn vader ook komt.