woensdag 26 februari 2025

Guatapé en de jacuzzi

Guatapé ligt op twee uur met de bus vanuit van Medellin. Het is populair voor een dagtrip in het weekend, dus ben ik er op maandag.

Het dorp staat bekend om zijn kleurige huizen en die stralen me dan ook tegemoet. Een kloddertje roze hier, een kloddertje oranje daar……Ook de inhoud van de toeristenwinkels is heel kleurig, dus je hoeft nog net je zonnebril niet op. De eerste straten zijn zeer toeristisch, dus ik neig al snel naar de straatjes wat meer achteraf. Daar is de verf wat meer verschoten, maar blijven de ‘Zócalos’ interessant.

Zócalos zijn de panelen op de onderste helft van de huizen, waar in 3D en wederom felle kleuren tableaus worden weergegeven die passen bij het huis in kwestie. Bij de bakker is het tafereel een bakkertje met een oven en bij de verfwinkel zijn het blikken verf. Het doet me qua naïeve kunst een beetje aan Ghana denken. Daar kan een fruitverkoper zich laten begraven in een houten kist die de vorm heeft van een ananas en de timmerman kiest wellicht voor een kist in de vorm van hamer. Hoezo abstracte kunst? Het kan maar lekker duidelijk zijn allemaal!

Ondanks de ‘Volendam-vibe’ vind ik het leuk om er rond te lopen. Het is namelijk ook nog een gewoon dorp, met schoolgaande kinderen en met oude mannetjes die sloffend rondlopen. Het maakt dat de balans net klopt.

De andere hoofdattractie hier is ‘El Piedra’; een mega rots op drie kilometer van het dorpje die je beklommen moet hebben om een beetje mee te tellen in deze wereld ;-). Ik prop me in een bus en laat me voor 45 cent vervoeren naar de voet van ‘El Piedra’. Je zou denken dat een grote rots een natuurlijk fenomeen is, maar de Colombianen maken van dit soort attracties graag een ‘kermis’. De restaurants, kleurige ballonnen, souvenirs en de ‘I love El Piedra’-signs shinen je alweer tegemoet. Ik koop een kaartje en ga -de zon is gelukkig al niet meer zo heet- stap voor stap de 750 treden naar boven. Ik heb de EHBO post bovenin niet nodig, maar heb wel weer mijn vertrouwde rode hoofd. Het uitzicht is mooi -het is een merengebied- maar eigenlijk doet het me niet zoveel.

Onder aan de berg regel ik een Tuktuk -dat vervoermiddel hadden we immers nog niet gehad- naar mijn hotel, dat best een eind weg is. Ik ben op ‘Booking’ namelijk gevallen voor een prachtig ‘tiny house’ aan een meer. Ik hoop maar dat het niet tegenvalt, want het is al de hele dag onhandig dat ik zonder eigen vervoer mij van taxi, naar bus, naar Tuktuk moet zien te bewegen. En waar een busrit van 2 uur van hier naar Medellin slechts 4 euro kost, kan een kwartier in een taxi je zo maar 15 euro kosten. Als solo reiziger betaal je natuurlijk ook steeds in je eentje voor een hele taxi en alle tweepersoonskamers.

Ik praat voor mezelf de keuze voor dit hotel en daarmee de hang naar luxe goed, omdat het een aanbieding was en ik oprecht geïnteresseerd ben in alle vormen van ‘tiny houses’; van hout, geïsoleerd in de natuur, aan een meer: ik hou ervan! Je zou bij mij zomaar het ‘Cabin in de woods’ coffeetable boek kunnen aantreffen, behalve dan dat ik helaas geen coffeetable bezit. Dus geen geaarzel meer; in Lonely Planet termen is het tijd voor een ‘splurge’.

Er wordt bij de sjieke receptie wat minzaam gekeken als ik kom aangereden in mijn paars met zilver versierde Tuktuk, maar het kan me niks schelen. Een meneer van het hotel brengt mijn grote tas (waarschijnlijk binnensmonds vloekend) op zijn schouder naar mijn ‘cabin’. Die ‘cabin’ is inderdaad waanzinnig! Alles van hout en glas, prachtig vormgegeven en op het dak zowaar een… jacuzzi! Heel even aarzel ik -met overwegingen als 'spaarzaam omgaan met water' en 'ben ik wel echt toe aan een bad'- maar dan geef ik een ferme ruk aan de kraan; YOLO! Het is heerlijk om mijn door de rotsbeklimming toch wat kleverige lijf in het bad te kunnen onderdompelen. Ik plunder de mini-bar met een frisje en kraak een heerlijk zakje chips weg in de tobbe, pardon… jacuzzi.

Na een kort bezoek aan het restaurant, app ik de receptie dat de ‘vuurman’ nu wel kan komen (dit is geheel volgens de instructies van het hotel zelf, die willen dat je een 'onvergetelijke ervaring' hebt en geen arrogante ingeving van mij) en ja hoor, bij mijn cabin staat een man klaar met een emmer vol hout. Hij bouwt van het hout zorgvuldig een toren in de vuurschaal boven op het dak van mijn cabin en de vlammen schieten meteen omhoog. Discreet trekt de vuurman zich vervolgens terug, mij in verrukking achterlatend met mijn blote voeten naar het vuur om mijn voeten op te warmen.

Dit zijn van die momenten dat je zomaar last zou kunnen hebben van het feit je niemand hebt om romantisch tegenaan te leunen, maar daar heb ik dus nu juist even helemaal geen last van! Met de juiste vrouw zou ik dit avontuur graag willen delen hoor- begrijp me niet verkeerd- maar voorlopig vermaak ik me uitstekend met mezelf. Ik zie genoeg stelletjes onderweg die volkomen uitgepraat zijn, snibbig tegen elkaar doen of lusteloos zitten te kaarten of te swipen, dus af en toe tel ik mijn zegeningen. Op dit soort plekken kan ik namelijk ook last hebben van 'Romantiek Paniek'. Dat is wanneer het misschien wel een beetje romantisch MOET zijn met zijn twee- het juist op zo’n moment ‘in paniek’ niet voelen. Het dichtklappen bij te veel romantische druk.

Het bed ligt zalig. Ik lig natuurlijk diagonaal, omdat het kan. Het is jammer van de houseparty de ganse nacht aan de overkant van het meer. Dat hadden die lui van 'Booking' dan weer niet vermeld.

zondag 23 februari 2025

Medellin en het verleden

Van Santa Marta reis ik ongeveer 1000 km naar beneden om in een hele andere wereld te belanden. Tropisch verandert in warm, korte broek wordt spijkerbroek en het kleine stadje wordt een metropool van 2,5 miljoen inwoners. Alsof mijn ‘vakantie’ in het Noorden voorbij is. Alsof ik weer thuis ben en het stadse leven weer begint. Bij aankomst moet ik enorm wennen; het mag dan wel een stad zijn met veel bomen, maar waarom rijden er zoveel auto’s midden door de stad; meer specifiek zo ongeveer door mijn hostel heen? En wat doe je ook alweer in een grote stad? Waar begin je?

Ik heb een tip gekregen om de volgende ochtend meteen een stadswandeling van 4 uur te doen van Real Tours en dat blijkt een gouden zet. Onze gids Dio is een zeer bekwaam en gepassioneerd spreker die ons vanuit zijn eigen perpectief meeneemt in de roerige geschiedenis van zijn stad. De stad van de ‘Paisa’s’; een ongelofelijk trots volk. Hij slaagt erin om de Colombiaanse context met een paar rake typeringen te schetsen, waardoor de chaos ineens structuur krijgt. Hij belicht de afgelopen zestig jaar waarin de paramilitairen op rechts, de guerrilla’s op links, de overheid en de drugsbendes er met zijn allen een teringzooi van maakten. Twintig jaar geleden nog maar was Medellin de meest gewelddadige stad van de wereld! Je kon als toerist de stad niet bezoeken en het centrum was vergeven van de bendeleden, junks en sekswerkers. In de jeugd van Dio heeft hij zijn beste vriend doodgeschoten zien worden. In zijn wijk waren afrekeningen in het drugscircuit aan de orde van de dag. En was er na jaren ellende eindelijk een veelbelovende presidentskandidaat, dan werd deze op klaarlichte dag in koele bloede afgeknald op een podium in opdracht van Pablo Escobar.

Pablo Escobar klom op als kleine drugshandelaar en eindigde in zijn eentje op de top van de apenrots. Hij verdiende meer dan hij ooit kon uitgeven, ondanks de huizen voor de armen die hij liet bouwen als ‘goedmakertje’ voor alle burgerslachtoffers. Hij bouwde uiteindelijk zijn eigen gevangenis - met alle comfort van dien - en werd in 1993 vermoord. Kom bij Dio dus niet aan met praatjes over ‘hoeveel goeds Escobar ook altijd heeft gedaan’ of met alle kijkers van Narcos op Netflix die Escobar lijken te vereren; het was een boef en geen heilige.

De productie van cocaïne gebeurt nog steeds in Colombia; er is zelfs vier keer zoveel cocaïne in het land als in de tijd van Escobar. Het veel lucratievere, maar ook veel geweldadiger onderdeel - de handel en het transport van de coke - is nu in handen van Mexicaanse drugskartels. Het geweld wat daarmee gepaard gaat, de afrekeningen, zijn in Colombia dus naar de achtergrond verplaatst. De afgelopen 20 jaar is Medellin langzaam uit zijn schulp gekropen. Grote trots is de metro, die inderdaad opvallend schoon en goed georganiseerd is. Bij het metrosysteem horen ook de kabelbanen die de wijken ver over de bergen bewust en goedkoop verbinden met het centrum.

Het centrum van de stad is een aanslag op de zintuigen; overal kraampjes, winkels, muziek, daklozen en de vreemdste optredens. Op pleinen wordt muziek gemaakt en de oudjes grijpen elkaar vast om een dansje te doen. Ik zie een opera zanger in een soort te krap zittend Elvis pak heel vals zingen en even verderop is er verhitte competitie gewichtheffen bezig. Het is levendig, maar soms iets te veel van het goede en dan moet je even op adem komen in een kerkje of in het Botero museum bijvoorbeeld. Botero die heel veel beelden schonk aan deze stad. Een van zijn beelden die werd verwoest door een granaat, bouwde hij precies zo na en de twee beelden staan tot de dag van vandaag op het plein; als herinnering aan de pijnlijke geschiedenis. Als materiële getuigen van een gewelddadig verleden voor een getraumatiseerd volk, die liever vergeet dan herinnert.

Ik dacht dat ik een hekel had aan tours, maar na deze ervaring boek ik voor de volgende dag met dezelfde organisatie nog een tour naar de wijk Moravia. Met een ‘community leader’, Hortensia, een vrouw van rond de 65, lopen we door de wijk die zich langzaam van een letterlijke vuilnisbelt heeft omgevormd tot een volwaardige wijk. Door allerlei sociale projecten is geprobeerd samen te werken met de lokale overheid en tegenwicht te bieden aan de macht van de drugsbendes, die tot de dag van vandaag nog altijd de touwtjes in handen hebben op de achtergrond.

Tijdens Corona is door gebrek aan bewaking helaas een deel van het groene park dat speciaal over de vuilnishoop heen was ontworpen weer teruggeclaimd door mensen die daar opnieuw hun geïmproviseerde huizen bouwen. Niemand heeft zin om door de overheid te worden verplaatst naar grote flats ver buiten het centrum. Het voelt alsof deze problematiek van illegale huisvesting zonder elektriciteit, water of gas nog lang niet is opgelost.

’s Avonds eet ik met een Vlaamse dame die in Ecuador woont, ontmoet in mijn hostel, die werkt voor een NGO en mij precies kan vertellen wat er nog meer speelt bij alle Colombianen die zij traint in weerbaarheid, gender en machtsstructuren. Heel interessant allemaal. Vrijdagavond doe ik een drankje met mijn ‘geheime informatiebron’ Lieke -die werkt voor de organisatie waar ik ook voor werk - en een vriend van haar uit Amsterdam. Lieke schreef haar promotie-onderzoek over de rol van vrouwelijke graffiti kunstenaars collectieven (waar zij zelf onderdeel van uitmaakt) binnen de feministische beweging in Medellin.

Het is dag drie als ik na een heerlijk ritje in de kabelbaan met de mooiste uitzichten over de stad, de beroemde Communa 13 bezoek. Toegegeven, verkeerd getimed qua hitte op het middaguur, maar het bezoek is mijn idee van een toeristische nachtmerrie. Een soort fuik waar je in terecht komt met alleen maar t-shirts, cocktails, lelijke schilderijen, opdringerige optredens en roltrappen naar het ‘uitzichtpunt’ boven waar je helemaal gek wordt van alle verschillende muziek in je oren. Voormalige probleemwijken kunnen wat mij betreft ook TE 'succesvol' worden. Met de staart tussen mijn benen zoek ik een vluchtroute de Communa uit.

Zoals je in de Middeleeuwen waarschijnlijk een stad bezocht om je voorraden aan te vullen en je klaar te maken voor het vervolg van je reis, zo heb ik mij in deze stad gevoed met meer informatie over de Colombiaanse context en me gewarmd aan wat meer en 'echtere' sociale contacten; ik bleek aan beide veel behoefte te hebben. Nu kan ik verder reizen door het mooie decor en krijgen de verhalen wat meer ‘reliëf’.

donderdag 20 februari 2025

Tayrona, het strand en de vissen

Er zijn niet veel mogelijkheden om te overnachten in het National Park, maar ik heb er eentje kunnen vinden. Sommige backpackers liggen in een tent of hangmat op het strand, maar ik vind een kamertje ook wel een heel fijn idee. Daarvoor moet ik weer via een andere ingang van het park mijn weg zoeken naar Crystal Beach. Het is wel een hele ‘expeditie’. Af en toe lijkt het hier wel ‘Ter land, ter zee en in de lucht’.

Ik laat mijn grote koffer achter in mijn laatste hotel en neem - met een kleine rugzak - de taxi naar de andere ingang van het park. Daar word ik ‘overgedragen’ aan een motortaxi, waarmee ik drie kwartier door het park rijdt. De motorman is erg verheugd met dit ritje en is voortdurend met één hand aan het sturen om met zijn telefoon in zijn andere hand een filmpje van hem en mij al rijdend op de motor te maken. ‘Dos manos', mompel ik ongerust.

Op een uitzichtpunt ben ik zowaar getuige van een huwelijksaanzoek tussen twee reizigers, maar bij navraag bij de gids blijken ze dit aanzoek vandaag al vier keer te hebben herhaald op andere plekken, alles voor het perfecte plaatje. Deze gids spreekt goed Engels en zegt terloops dat hij op Texel universitair onderzoek heeft gedaan naar 'iets met biologie'. Dat vind ik soms zo grappig aan reizen; die gekke links en toevallig ontmoetingen! We komen aan bij Neguanje beach; mooie zee, wat verlaten hutjes en bootjes die ons naar Crystal Beach kunnen brengen. Ik sluit me aan bij een gezin uit Bogota, we delen de kosten voor de boot, en ik betaal slechts 5 euro voor het boottochtje van een kwartier naar de volgende baai.

Crystal Beach is inderdaad zo mooi als de vooruitgesnelde belofte. Azuurblauw water, palmbomen, krakkemikkige restaurantjes en mijn hotelletje prachtig boven op de heuvel. Een eenvoudige kamer met alles wat je wilt; uitzicht op zee door de openslaande ramen! Wat een luxe. Ik installeer mij voor de dag op het strand met mijn boek, mijn snorkel 'gear' en een heerlijke cocos limoensap. Ik ben helemaal in mijn nopjes!

Je kunt hier snorkelen vanaf het strand. Vind ik een verademing om niet afhankelijk te zijn van een gids of een vertrekkende boot, maar in alle rust op je eigen tempo de wateren te verkennen. Ik ben redelijk opgetogen over de staat van het koraal; het ziet er goed uit en ik verwonder me erover hoezeer het allemaal nog intact is, met al die klunzige snorkelaars die meestal met een lage waterstand toch per ongeluk met hun flipper tegen het koraal aan schoppen.

Ik zie mooie vissen. De voor mij bekende Papegaaivis, maar ook een grote groene andere met een stompe neus. De ‘needle fish’ met zijn lange neus vlak onder het water en weer die hele mooie kleine donkerpaarse -die zag ik al bij Rosario- met hele kleine lichtgevende puntjes overal! Er zijn scholen met paarse vissen. Het gevaar van meerdere reizen te hebben gemaakt is dat je het altijd elders wel eens ‘mooier’ of ‘spectaculairder’ hebt gezien -hier bijvoorbeeld geen kleurrijk en wuivend koraal- maar ik ben toch dik tevreden met deze snorkel plek.

Vanaf drie uur gaan alle dagjesmensen naar huis. Alleen een handvol mensen blijven achter op het strand. Wel een uniek gevoel om dit paradijs zo’n beetje voor mezelf te hebben! Ik kruip op de houten stoel van de badmeester om vanaf mijn troon de zonsondergang te bewonderen.

De volgende dag in het paradijs slaat mijn stemming om als een blad. Ik heb slecht geslapen door de wind rondom mijn hut. Ik lees ‘Autobiografie van mijn lichaam’ van Lize Spit. Ik vind het prachtig, maar je wordt er ook niet persé vrolijk van. Ik word niet begrepen in mijn Spaans door de restaurant-eigenaren, moet 2.000 peso's betalen voor elke plas op een WC en 10.000 peso’s voor een beetje wifi. Er zijn alleen maar Spaans sprekende mensen om me heen of Europese gezinnen die genoeg hebben aan zichzelf. Ik voel me alleen, al dagen ben ik in alle hotels die ik kies de enige gast. Ik heb geen honger en prop er met tegenzin een pasta met seafood in. Ik voel me opgesloten in deze baai; er is geen enkel weggetje het park in. Ik heb het even helemaal gehad met alles!

Zit je op de meest idyllische plek, is het geluk ver te zoeken! Ook dat is reizen; het moet allemaal net even samenvallen. Ook thuis heb je wel eens een dip. Wat doe je in dergelijke gevallen? Je doet een dutje in een hangmat. Je appt natuurlijk je moeder en je gooit een hulplijn uit naar een van je vriendinnen in Nederland, die je met FaceTime vanuit de kou in het Friese Franeker braaf te woord staat. Ik laat haar mijn zonsondergang zien; dat kan tegenwoordig gewoon.

In mijn kamer zit een krab, die vakkundig door de kokkin wordt weggejaagd. Op de WC zitten prachtige sprinkhanen die net echte blaadjes lijken. Kortom; het gaat wel weer een beetje. Maar ik vind het niet erg om morgen deze idylle te verlaten. Idylles zijn soms best een beetje saai.

woensdag 19 februari 2025

Tayrona, de speakers en de jungle

Het National Park is nog steeds gesloten vanwege de ‘zuiverings rituelen’ van de Inheemse bevolking, maar ik verblijf twee dagen aan de rand van het park, om er morgen als de kippen bij te zijn als het park weer opengaat. Mijn standplaats is het dorpje Calabazo, waar een van de ingangen van het park zich bevindt.

Als ik uit de bus stap in Calabazo schalt de keiharde accordeon muziek al uit de speakers. Dreunende bassen blazen je omver. Dit blijkt meteen de beste kennismaking met het dorp, want dit zal twee dagen zo blijven. Gekmakende, OORVERDOVENDE muziek, de hele dag en bijna de hele nacht door.

In de hoteleigenaar tref ik eindelijk iemand die goed Engels spreekt. Dat mis ik soms wel in Colombia; je komt dan zoveel meer te weten! Hij weet mij op zondagochtend te vertellen- na een nacht wakker liggen van het gedreun uit het dorp- dat het misschien wel zo klonk, maar dat er helemaal geen groot feest was. Ik overwoog zelfs nog om 03.00 uur 's nachts maar eens te gaan kijken hoe dat feest er dan uit zou zien. De hoteleigenaar helpt me uit de droom; als ik zou zijn gaan kijken had ik maar drie mensen op plastic stoeltjes aangetroffen.

Sommige cafe’s in het dorp worden gerund door guerilla’s en zij zijn niet bereid om de volumeknop omlaag te draaien. Hoezeer de hoteleigenaar ook probeert aan te geven ‘your killing our business’, de guerilla’s hebben er geen boodschap aan. Ook niet na bemiddeling van de burgemeester. Ik word op 500 meter afstand al gek, laat staan dat je ernaast woont! Dag in, dag uit. Hij vertelt dat er oude en zieke mensen zijn in het dorp (of mensen met jonge kinderen) die echt wanhopig worden. Het lijkt op het treiteren van het volk. Het legt in elk geval veel bloot over de machtsverhoudingen in dit -en naar ik vermoed nog veel meer - delen van Colombia. Behalve een politiecontrole in de bus, heb ik nog helemaal niets van de guerilla's gemerkt. Ik vind het vooral zo intrigerend dat iedereen overdag doet alsof die heksenketel van vaak twee speakers tegenover elkaar heel normaal is; ik vermoed dat iedereen half doof is.

Het kerkgezang deze zondagochtend lokt me meer en even mag ik binnen meekijken in de ‘kerk’: een kale hal met 100 plastic stoeltjes en een podium met een band. Alweer veel live muziek, veel gekwelde gezichten, veel mooie zondagse jurken (ik ben zelfs ook op mijn zondags, met mijn gele jurkje). Ik vermoed dat het een evangelische kerk is en het zou me niet verbazen als hier straks wat kwade geesten worden uitgedreven. Ik wacht dat niet af.

In de middag begin ik tamelijk onvoorbereid en veel te laat natuurlijk aan een hike in het National Park. Het gaat bergopwaarts, ik loop rood aan in de hitte en realiseer me dat ik niet teveel moet forceren. Ik zie ‘sterretjes’ en mijn lijf is nooit goed geweest is warmte afvoeren. Brommertjes brengen je gelukkig -tegen betaling- het eerste stuk de berg op.

Zo loop ik uiteindelijk helemaal alleen in een van de belangrijkste ecosystemen van Caribisch Colombia; de jungle van Tayrona. De jungle verdicht zich hier en je bent alleen met de natuur. In de verte hoor ik het oprecht dreigende geluid van de ‘howling monkeys’. Er loopt -getuige een informatiebord- ook nog ergens een jaguar rond. Hmmm, al met al best spannend. Ik heb lol in het nadenken over wie dit soort dingen echt helemaal niet zou trekken.

Bijzonder vind ik het om een paar Kogi indanen, het hengsel van hun tas over hun voorhoofd, tegen te komen onderweg: ik ben te gast in hun natuurlijke habitat. Ergens verscholen in de jungle is hun 'pueblito', die de laatste jaren verboden terrein is voor toeristen. Ik hoor vogels die de app Merlin niet herkent. Ik zie een prachtige 'Kingfisher' op een tak. Er zijn hier zoveel diersoorten te ontdekken! Ik krijg dan altijd fantasieen over hoe het zou zijn om hier een natuur documentaire op te nemen. Is dat een droombaan of een nachtmerrie als je 12 nachten ligt te wachten tot die verdomde jaguar een keertje langskomt?

Het lopen blijft zwaar en als ik van twee reizigers hoor dat het strand nog één uur lopen is, weet ik dat ik op safe moet spelen en terug moet gaan. Als ik mijn enkel zou verzwikken heb ik een serieus probleem hier. Het laatste stuk neem ik een brommer-taxi, gesterkt door een heel fit jong stel, die ook niet weten hoe snel ze een brommer moeten regelen. Wat zou ik me dan nog lopen uitsloven! Ik heb toch even mooi kunnen proeven van de jungle met zijn geluiden en de stilte, voordat ik weer op de -inmiddels vertrouwde - muur van geluid in Calabazo stuit.

Camarones en de Flamingo’s

Ik ben tijd aan het rekken omdat het Nationaal Park Tayrona nog steeds niet open is. Het wordt door de inheemse bevolking ‘gezuiverd’ van de kwade invloeden van het toerisme elke eerste twee weken van februari. Hier kan ik als antropoloog natuurlijk niet op tegen zijn, maar logistiek is het als reiziger even een dingetje.

Van andere reizigers krijg ik een tip over Flamingo’s in Camarones en hup, daar zit ik alweer drie uur in de bus naar het dorpje dat weinig toeristen trekt en half in de woestijn ligt. Beetje jammer dat het zo weinig toeristisch is dat de buschauffeur er dan ook vergeet te stoppen. Met dank aan Google Maps en het geluk dat ik niet in slaap ben gevallen, sta ik dan toch 2 km buiten het dorp aan de weg in de woestijn. Het doet me denken aan een scene uit de film ‘Bagdad Cafe’. Twee vrouwen met koffers in een bloedhete, stoffige woestijn.

Het duurt hier nooit lang of je zit -inclusief te grote koffer- achterop een brommer die me naar het hostel aan dezelfde weg brengt. De dochter des huizes ontvangt me hartelijk, haar zussen en haar moeder lopen door de huiskamer: het is alsof ik even onderdeel uitmaakt van een Colombiaans gezin. Aan ‘papa’ vraag ik of ik zijn fiets mag lenen en voor het donker word verken ik het dorp, het ‘sanctuary’ en het strand. De ene helft van het dorp bestaat uit ‘Spanjaarden’ en de andere helft uit ‘Wayuu’ indianen. Het verschil tussen beide 'communities' is duidelijk te zien; de Wayuu zitten achterin het dorp met krakkemikkige huisjes van leem en een tikje armoedige omgeving. De rest van het dorp is van de 'Spanjaarden'; die hebben de muziek aan bij het lokale cafe en runnen een paar eenvoudige winkeltjes in het dorp van eigenlijk maar één straat.

‘Papa’ moet wel zijn fietsketting nodig smeren en zijn versnellingen afstellen, want ik fiets als een doortrappende idioot door het dorp. Dat vinden ook de honden die met me mee rennen en me bijna in mijn kuit bijten. Podverdorie, wegwezen! Maar man, wat is fietsen in de tropen toch fijn; het vertrouwde vervoersmiddel van thuis in een spannender omgeving en met de warme wind rond je lijf.

Rond half zeven in de ochtend komt Rafael, een jonge Wayuu-gids, me halen met de brommer. Hij zal mij naar de Flamingo’s brengen. ‘Papa’ zwaait ons uit en filmt ons: mega trots dat hij zo’n goedlopend toeristisch bedrijf runt! Rafael is een schat. Ik stap in een prachtige houten kano met een klein zeiltje en behendig loodst hij ons het meer over. De stilte en het kabbelende is zeer aangenaam op deze zaterdagochtend. Het laat ruimte voor wat gemijmer; wat zou ik thuis doen op zaterdag? Een dikke Volkskrant kopen en niet de tijd nemen om die helemaal uit te lezen.

Vogel technisch valt het me niet helemaal mee: we benaderen voorzichtig een groep van 50 Flamingo’s, maar ze blijven te ver om foto’s te maken. Door de kijker zie ik wel die zalmroze nekken en die gekke bogen in hun hals: in elk geval staan alle neuzen dezelfde kant op. Rafael leent af en toe mijn kijker omdat die van hem bij een vorige toer in het water is gevallen. Je zou zo’n jongen toch met liefde een nieuwe kijker gunnen. Met klapperende zeilen keren wij terug naar het dorp. Het water komt niet hoger dan je knieën.

Terug in het hostel krijgt Rafael een fooi voor een nieuwe kijker. ‘Papa’ is bezig met het granollen van een muurtje voor een nieuwe hotelkamer: hij ziet een gouden toekomst voor zich voor zijn hostel. Ik vraag me af of de Flamingo's genoeg zijn om de mensen naar zijn dorp te lokken. En ik hoop dat zijn dochter erbij blijft, want zij is de eigenlijke spil. In een handomdraai maakt zij een bord heerlijk eten voor je klaar. Gisteren mocht ik zelf de vis uit de vriezer aanwijzen die me het meeste aansprak. Haar zussen zitten nog steeds verveeld op hun telefoon, de moeder schuift moeizaam, want net geopereerd aan haar buik, door de kamer. 'Papa' geeft me ongevraagd nog wat 'informatie' over de vogels die ik in zijn tuin aan het bekijken ben door mijn kijker; hij is van alle markten thuis.

Ik lees nog wat in de hangmat voordat ik afscheid neem van dit sympathieke plekje. Ik loop 100 meter naar de grote weg door de woestijn en steek mijn hand omhoog. De grote bus stopt en slokt me op voor weer een volgend avontuur.

zondag 16 februari 2025

Minca en de Toekan

Minca is een klein dorpje in de bergen met een herkenbare, beetje hippie-achtige sfeer. Zo’n dorpje van een straat, waarbij de amandelmuffins en de Latte Macchiato hun intrede hebben gedaan. De groene bergen zijn de attractie, samen met de talloze watervallen. Ik kies mijn hostel op basis van het uitzicht; inderdaad met een terras dat ver uitkijkt over de bergen en waarbij je al aan je ontbijt kunt beginnen met vogels spotten.De Kolibrietjes komen af op hangende installaties met honing, terwijl jij de honing over je pannekoekje drappeert.

Bij sommige safari’s in Afrika draait het allemaal om ‘the big five’. Minca staat bekend als vogelparadijs en het hoogst haalbare is het spotten van de Toekan. Ik meld mij om 05:45 uur in de ochtend in het dorpje bij 'Jungle Joe' voor de vogeltour en dan heb ik er al twintig minuten lopen in het pikkedonker vanuit mijn hostel opzitten. In tegenstelling tot in Nederland kost vroeg opstaan me hier geen enkele moeite.

Naast vogels stikt het in Minca van de Nederlanders, dus ik word samen met een jong Amsterdams stel en een Brits stel ingedeeld in een groep met onze gids. We beginnen bij het begin; de app Merlin, waarmee je geluid kunt opnemen en dan rolt gelijk de vogel eruit die je vermoedelijk hoort. Kind kan de was doen, joh! Af en toe bedient de gids zich van een ‘no go’ voor de echte vogelaar; hij laat de app via een boxje in zijn tas vogelgeluiden produceren, waarmee je de vogels dus probeert te lokken. De Amsterdamse jongen is best ‘into’ vogels, blijkbaar mag je dat zijn als ‘coole’ gast en zijn vriendin word telkens misselijk als ze door de kijker kijkt. Ik laat haar af en toe door mijn eigen -zorgvuldig in Nederland uitgezochte - kijker kijken, want ik ben stiekem ook een beetje een vogelaar.

Op twee kilometer afstand is er iemand zo slim geweest om een vogelobservatie-post te bouwen op een adembenemende plek. We worden hier zachtjes heen geloodst, bestellen een slap Colombiaans koffietje en hebben boven veel te zien. Ze voeren de vogels met schalen fruit op redelijke afstand en daar komt de ene na de ander top vogels zijn ontbijtje nuttigen. Ik ben met name erg gecharmeerd van een dieprode vogel die op zijn snavel twee bijna fluorescerende streepjes heeft; je gelooft je ogen niet! Verder is er een turquoise blauwe knapperd bij en wachten we massaal tot een uiltje op een nest zijn koppie laat zien, maar daar heeft ie geen zin in vandaag.

De groene halsbandparkieten hier zijn net iets anders dan ‘onze’ Amsterdamse parkieten. En de gids vertelt ons hoezeer de mannetjes vogels zich moeten uitsloven om de aandacht te trekken van de vrouwtjesvogels, die er op het eerste gezicht misschien saaier uitzien, maar veel meer kleuren blijken te hebben dan wij mensen kunnen zien. Voila; need I say more.

Het is op de terugweg als er een van de gidsen druk begint te zwaaien met zijn armen, alle verschillende groepen spotters in zijn kielzog. Een privé-gids begint zelfs voor ons uit te rennen, want hij is gesignaleerd…de Toekan. Met zeven felle kleuren en ook nog eens symbool van een Nederlandse hotelketen -weet die arme vogel veel- zit hij daar te pronken. De gids is uitzinnig; wat een geluk hebben wij! Ik vermoed dat dit patroon zich iedere dag zo herhaald.

Ik word ook een tikje afgeleid door een woede uitbarsting van een toerist, wiens privé-gids voor haar uit is gesneld en die zich door hem erg in de steek gelaten voelt: ‘je laat je mensen toch niet achter! Je krijgt van mij geen ‘dinero!’. Ik vind het zielig voor de gids, die dacht speels op Toekan-jacht te zijn, maar daar dacht deze dame kennelijk anders over. Ik pak gelijk mijn rol als intermediair en met mijn vers verworven Spaans zeg ik: ‘Ella tiene otros problemas’. Geen idee wat verlatingsangst in het Spaans is. Zo, hebben we dat ook weer opgelost.

Ps. De vogelfoto’s zijn van internet; daar kan ik niet tegenop met mijn Iphoontje.

vrijdag 14 februari 2025

Santa Marta en de Kogi

Waar je in India een hartverzakking krijgt als een kruier je tas te pakken krijgt en je voortdurend het gevoel hebt op je hoede te moeten zijn, heb ik dat gevoel in Colombia helemaal nergens. Rechtstreeks uit de taxi word ik begeleid door iemand van het busstation, die me direct in de juiste bus zet. Ik let niet eens meer echt op of mijn tas ook echt in deze bus verdwijnt, zoveel vertrouwen wekt de man.

En de bus vertrekt onmiddellijk, ook al zo prettig. Vijf uurtjes van Cartagena naar Santa Marta. De stoelen in de bus zijn comfortabel en je zit meteen tussen de Colombianen zelf, die jou prettig niet interessant vinden als toerist (ook alweer zo’n verschil met India). Met mijn buurvrouw heb ik gewoon een gesprek van vrouw tot vrouw over de aangeboden waren in de bus; voortdurend worden er onderweg verkopers opgepikt die cakejes, koekjes, fruit, warme maaltijden of krultangen proberen te slijten aan een publiek dat immers toch niet weg kan. Het is een soort mini-wereldje waar je probleemloos onderdeel van uitmaakt. Ik vind die Colombianen tot nu toe uiterst gemoedelijk. Vooral de meneer met de krultangen, spiegels en weet ik wat voor rommel nog meer, valt erg in de smaak bij het buspubliek. Het is een soort rijdende stand-up comedian, mensen zitten hardop te lachen. Kom daar maar eens om in de Noord-Zuid lijn om 07:00 uur ’s ochtends in Amsterdam! Enige nadeel is dat ze niet aan plas-stops doen, dus ik haast me bij aankomst per taxi naar het ‘boutique’ hotel in Santa Martha. Daar wacht mij helaas een receptioniste die werkelijk geen woord snapt van wat ik bedoel en vice versa en begint aan een ellenlange incheck procedure. Ik word gedwongen om ‘Baños’ naar haar te schreeuwen, om eindelijk naar het toilet te kunnen.

Santa Marta staat niet hoog op de lijstjes van de reizigers. Ik snap niet waarom! Ik slenter bij de vallende avond over de boulevard en tref daar een van de allermooiste zonsondergangen ooit. De hele hemel kleurt fel oranje en de Colombianen wringen zich in allerlei bochten om de beste selfies te maken. Op de boulevard allemaal eetkraampjes en zelfs een sterrenkijker waar je voor 1 euro naar de maan kan kijken (doe ik natuurlijk, viel tegen). Verderop doet een groep jonge gasten met flinke spierballen oefeningen aan een rekstok waar Epke Zonderland zijn vingers nog bij kan aflikken. Eigenlijk staan de leukste dingen die je tegenkomt niet in reisgidsen, is mijn observatie. Ik eindig bij zowaar een vegetarisch restaurant waar ik een heerlijke geroosterde bloemkool eet, waar Ottolenghi nog een puntje aan kan zuigen.

In de ochtend staat er een groep van vijftig in het wit geklede mensen voor het stadhuis. Hele bescheiden mensen op blote voeten, allemaal een specifiek tasje om de schouder en een enkeling met een prachtig mutsje of hoed. De antropoloog in mij voelt het van binnen borrelen van nieuwsgierigheid. Ik informeer bij Colombianen uit Medellin waar dit over gaat en de Kogi -zo heten deze inheemse inwoners van de Sierra Nevada- demonstreren hier vreedzaam tegen de exploitatie van hun land. Zij maken zich zorgen over hun leefgebied en eisen meer respect voor de omgeving. Zonder in spirituele zwijmelarij te vervallen, valt me toch op dat hun bescheiden houding en voorkomen zo naadloos samenvalt met hun boodschap. Er schijnt 20 jaar geleden al een documentaire te zijn opgenomen, waarin de leiders van dit volk de wereld oproepen een andere koers te gaan varen. Greta Thunberg avant la lettre. Hun boodschap heeft niet bepaald aan actualiteit ingeboet, integendeel.

De taxichauffeur die me naar de volgende plek brengt vertelt me -hij spreekt Spaans tegen zijn telefoon en Google Translate spuugt er Engels uit en vice versa- dat de Kogi ook geld willen. Hij vertelt me ook dat de president van Colombia zelf een oud-guerrilla is en dat hij niet bepaald populair is in Colombia. Hij heeft weinig overwicht. Mijn eerste ‘gesprek’ over politiek in dit land. Dan arriveren we in Minca en moet die arme chauffeur met zijn gefundeerde politieke mening en iets te dikke buik mijn veel te grote koffer op zijn schouder alle trappen van het hotel optillen. ‘Light packing’ is nog een puntje voor verbetering. Had ik misschien toch die krultang niet moeten kopen.