woensdag 5 maart 2025

Quito en het carnaval

Doordat het grensgebied tussen Colombia en Ecuador onveilig is -en echt op ‘rood’ staat op de website van Buitenlandse Zaken- vlieg ik van Armenia (dichtbij Salento) naar Quito in plaats van overland te reizen.

Quito is een van de hoogst gelegen steden van de wereld. Als ik het eerste ‘magische’ Uber-ritje maak vanaf het vliegveld (Hoe ziet het er hier uit? Hoe ruikt het hier? Wat is er anders, wat valt me op?) ben ik nog niet erg onder de indruk. Het is erg grijs, echt geen sprankje zon. In het centrum is er NIEMAND op straat en de gebouwen zijn er uitgesproken lelijk. Het lijkt een soort spookstad, een stad in Covid-tijd na de avondklok. Maar het blijkt ‘gewoon’ carnaval. Vandaag en morgen is alles dicht. Mensen gaan dan naar ‘het strand’, volgens de Uber chauffeur. Na aankomst in het hotel ga ik meteen op zoek naar een ATM om er Amerikaanse dollars te pinnen, bizar genoeg het betaalmiddel in Ecuador.

Op vijftig meter van mijn hotel zie ik ineens waar iedereen is gebleven; op straat! Drie rijen dik staan de mensen overduidelijk te wachten op een optocht, voor carnaval uiteraard. Ik voeg me opgewonden in de menigte; ik ben namelijk DOL op optochten, processies, demonstraties of feesten in het buitenland. Allemaal openbare culturele uitingen waar je ongegeneerd kunt fotograferen en observeren. Als snel paraderen allerlei bont gekleurde groepen voorbij. Veel traditionele outfits van de Andes bevolking en andere bevolkingsgroepen en zo voor mij de perfecte kennismaking met het land. Val ik even met mijn neus in de boter!

Heel apart is dat het publiek zijn enthousiasme wel heel bijzonder uit; door met een spuitbus met wit schuim de passanten in hun mooie kostuums helemaal onder te spuiten. De spuitbussen worden ook op elkaar gericht, dus binnen de kortste keren zit iedereen -ik heb ook ineens een beschuimd donsjasje aan en spetters op mijn bril- onder het witte schuim. Sommige mensen hebben hun gezicht zwart of vlekkerig geschilderd; het doet met een beetje denken aan het kleurige krijt tijdens het Holi-festival in India.

Tussen de groepen salsa-dansers, acrobaten, clowns (het is een thema!) en mooi aangeklede dames rijden er grote praalwagens met fluorescerende taferelen uit het land; een lichtgevende Kolibri en een kar met vulkanen of fruit. Alles waar dit land trots op is! Na afloop van de tocht wordt de sfeer wat grimmiger. Ik duik een restaurant in, waar ik veilig ben voor de ‘spuiters’. Twee dingen vallen me op; de muziek is een stuk slechter dan in Colombia en er wordt hier door obers en andere toeristen ineens wel Engels gesproken. Heel vervreemdend dat de ober met een vet Amerikaans accent spreekt, maar voor mij ook wel heerlijk dat ik me ineens wel kan uitdrukken hier.

De volgende dag loop ik door de miezer naar het centrum. Alles is nog steeds grotendeels dicht. Een straatartiest staat in zijn eentje heel surreëel te zingen bij een druk verkeerskruispunt. Ik krijg wat onrustige berichten over de gezondheid van een vriend in Nederland; ik kom niet helemaal lekker in deze dag. In het centrum is het een chaos van elkaar met spuitbussen te lijf gaande mensen; het plein ziet wit van het schuim alsof het gesneeuwd heeft. Families rijden in auto’s rond om vanuit de laadbak mensen met zakken water of wit schuim te bekogelen. Het geheel voelt toch niet helemaal als ‘mijn feestje’. Ik neem een taxi terug naar mijn hotel.

’s Middags zie ik een hele andere kant van Quito. De Vlaamse Jo, die ik ontmoette in Medellin, geef ik het boek van Lize Spit en zij leidt mij rond in haar wijk ‘La Floresta’. Ze woont hier al vijftien jaar. Ze laat me de sjiekste straat zien met flatgebouwen waar sportscholen en zwembaden zijn ingebouwd en wijst me in de verte op hike mogelijkheden op nabij gelegen bergen. Ook vertelt ze over het dreiging van vulkaan-erupties in dit land. We drinken een cocktail in het filmhuis -waar ik me meteen in Amsterdam waan- en ze vertelt me meer over de hypocrisie van de Ecuadoraanse samenleving. Iedereen leeft ontzettend in zijn eigen bubbel en de maatschappelijke normen worden nog enorm bepaald door de regels van de katholieke kerk. Doordat er bijvoorbeeld niet over seks wordt gepraat, zijn er veel tienerzwangerschappen en dat is dan weer een taboe in de samenleving. Het niveau van het onderwijs is ook ronduit slecht.

Ik schrijf dit stuk -dag drie in Quito- in een heel sympathiek koffietentje. Vanavond ga ik met een nachtbus richting de Amazone. Morgenochtend zit ik drie uur in een kano op de rivier om bij mijn EcoLodge te komen, diep in de jungle van de Amazone. Ik ga -met een klein groepje- veel dieren zien en horen en veel leren over het leven in de jungle. Het wordt vast heel bijzonder, maar ik had vannacht ineens veel stress over vijf dagen onbereikbaar zijn. Er is daar namelijk geen internet. Ik zie het maar als een mooie oefening in het loskomen van ‘altijd maar connected zijn’.

Dus trouwe Polarstep volgertjes: ik ben dus tot dinsdagochtend Nederlandse tijd van de radar. Geen paniek daarover (Marjolein ;-); als ik door een Kaaiman ben opgegeten haalt het vast het nieuws ;-).

dinsdag 4 maart 2025

Salento en de palmbomen vallei

Het is maar goed dat ik het zo leuk vind in Jardin, want ik moet er anderhalf uur langer blijven dan gepland. Ik sta klaar voor de bus van 06:00 uur in de ochtend, maar had die moeten reserveren minstens een dag ervoor bij een loketje tussen 13:00 en 13:45 uur. Geen idee hoe ik dat had moeten weten!! De dertien toeristen die dit blijkbaar wel wisten proppen zich, ietwat meewarig naar mij kijkend, in een mini-bus. Zij gaan via een geasfalteerde weg naar Salento, mijn volgende bestemming. Voor mij blijft nu de bus van 08:00 uur over, die over een niet geasfalteerd ruige weg gaat die zich door de bergen kringelt. Mensen schrijven er online over als een ‘vreselijke route’, dus ik houd mijn hart vast. Gelukkig heb ik van mijn moeder de tip om -wanneer reisziekte dreigt- Cinnarizine pilletjes in te nemen. Nerveus neem ik er alvast twee.

Het is gelukkig geen bus zonder ramen met harde muziek - zoals die hier ook wel rijden en waardoor je onder het stof komt te zitten- maar een kleine, gewone bus voor dertig mensen. Als ik voorin ga zitten -in verband met de kans op misselijk worden- naast een Colombiaan geeft ie aan dat de stoel gereserveerd zou zijn. Bij het mannetje erachter idem dito. Ze hebben er geen moeite mee om je zo’n beetje weg te wuiven. Ik beland aan de andere kant voorin naast een non. Ze is overduidelijk ook nerveus over deze rit en bij gebrek aan fatsoenlijk Spaans kijk ik haar veelbetekenend aan en sla een halfslachtig kruisje. Ze knikt begrijpend en zit onafgebroken ‘Wees Gegroetjes’ te bidden, met haar vingers elk kraaltje van haar rozenkrans aflopend.

De bus ploegt zich langzaam de bergen door. Eerlijk gezegd valt me mee hoezeer we langs ravijnen gaan en hoe heftig de rit is. Het tempo ligt laag, telkens wordt er gestopt om ‘aan de weg te werken’. Door de regen zijn landverschuivingen een groot gevaar voor het doorgaande verkeer, dus ook de buschauffeur helpt mee om gootjes te graven en met grote spades het water in goede banen te leiden. Het geeft mij de kans om stiekem buiten -precies achter de bus uit het zicht- een plas te doen. Mijn bescheiden bijdrage aan de wateroverlast hier ;-)

Halverwege is er een kleine pauze. Ik pak mijn banaan uit mijn tas en stap de bus uit om hem buiten op te peuzelen. Ik zie een Colombiaan naar me kijken en iets tegen zijn vriend zeggen. Ze lachen achter hun hand. Ik krijg de banaan moeilijk open, ik heb gisteren in het kleine supertje het meest gele exemplaar uitgezocht. Ik krijg een vermoeden dat er iets niet klopt en bij de eerste hap proef ik dat ik een ‘plantaan’ of bakbanaan aan het eten ben. Er zit niets anders op dan als een boer met kiespijn mee te lachen met de jongens, die mij inderdaad uitleggen dat het geen ‘banana’ is die ik heb gekocht.

In de bus zit ook Willem, een Nederlandse backpacker van twintig. Tot mijn verrassing stelt ie voor samen te gaan eten in Salento. Willem vindt elk restaurant ‘boven zijn budget’, dus als een soort ‘sugar mummie’ betaal ik zijn forel, de specialiteit in dit gebied. Willem wordt later leraar wiskunde en gaat morgen een hike doen van vier dagen. Salento is wat toeristischer dan Jardin, met een heuse ‘winkelstraat’ met ingebouwde spotjes in het trottoir; daar ligt bij mij wel mijn zo’n beetje mijn grens qua authenticiteit.

De volgende dag besluit ik als ik wakker word dat ik de hike van 14 kilometer ga doen door de palmbomenvallei, waar Salento zo beroemd om is. Het weer is zonnig en dat is hier geen vanzelfsprekendheid. Vanaf het pleintje vertrekken hier de Willy’s (vrolijk gekleurde Jeeps) zodra ze vol zijn naar verschillende bestemmingen, waaronder de vallei. Ik beland in een Jeep met Justin uit Nederland en Ellie en Komal, twee meiden uit Engeland. Heel organisch en onuitgesproken vormen we ineens een groepje dat met elkaar de hike gaat doen vandaag. We besluiten de route ‘Clock-wise’ te lopen in verband met de zon op de palmen tijdens de eerste etappe. Justin is een IT-er van 40 die al vijf maanden aan het reizen is. Hij gaat ‘op kop’ als ex-padvinder en kijkt meer naar de route op zijn telefoon, dan naar de natuur. Hij vertelt ons steeds hoeveel minuten we al zijn ingelopen qua ‘Estimated Time of Arrival’. I couldn’t care less.

Ik moet erg wennen aan me ineens moeten aanpassen aan anderen -niet telkens stoppen voor een vogeltje- maar het lukt me om ergens de knop om te zetten en te genieten van het een keer met anderen zijn. De Britse meiden van rond de dertig zijn schatten en ik geniet heel erg van dat typische Britse commentaar. Ik ben ook oprecht blij met onze padvinder/gids want het is best een pittige route, waarbij we veel moeten klimmen, negen wankele bruggetjes oversteken en ik twee keer onderuit ga op een rots. Gelukkig zijn mijn botten en verrekijker niet beschadigd. We klauteren naar een kolibrie tuin, waar we chocomel met kaas (!) krijgen. Het is ondertussen hard gaan regenen en ik ben de enige die geen regenkleding bij zich heeft. Ik vind het niet erg. Na een uur of vijf, zes lopen zijn we weer bij ons startpunt en sluiten we aan in de enorme rij mensen die allemaal met een Jeep naar het dorp willen.

Justin wil in het dorp nog perse een biertje drinken, dus dat doen we braaf en daarna is er gelukkig een warme douche in het hotel. Na het eten zoek ik de Engelse meiden nog even op om een spelletje Tejo te spelen, een lokaal spel. Met een zware steen probeer je een driehoekje te raken waar buskruit inzit, waardoor er af en toe een enorme knal klinkt in de -op een aantal toeristengroepen na- verder lege hal. Ik veroorzaak zelf twee explosies, maar ik geniet er maar matig van met mijn vingers in mijn oren; zo hard! Je hoort bij dit spel veel bij te drinken, dus we krijgen aan de bar nog wat shotjes aangeboden om een beetje in de sfeer te geraken. Het is - voor mijn doen- zowaar een ‘wilde’ avond.

Mijn laatste echte dag Colombia, de volgende dag, gaat op aan het plannen van de rest van mijn reis en het boeken van vluchten. In de middag bezoek ik nog een koffie ‘farm’, want daar staat dit gebied immers om bekend. Ik moet rode koffiebessen plukken in een mandje en leer het verschil tussen Arabica en Robusta. De bonen gaan ongebrand op transport naar het buitenland, waar elk land ze weer een andere ‘roast’ geeft. Interessant wel, om iets meer te horen over het goedje dat je dagelijks tot je neemt.

's Avonds neem ik in gedachten al een beetje afscheid van het land waarvan ik zo heb genoten de afgelopen vier weken. De muziek, de mensen, het landschap, de vogels…… Ik ben in vier weken geloof ik twee chagrijnige Colombianen tegengekomen en dat vind ik toch een buitengewoon goeie score. Hoe ze het doen weet ik niet -en het staat haaks op hun internationale reputatie- maar zo op het oog is het een opgeruimd volk in een prachtig land.

Op naar nieuwe verhalen vanuit Ecuador!

donderdag 27 februari 2025

Jardin en het plein, de ‘cock’ en het circus.

Het blijft fascinerend waarom de ene plek een toeristentrekpleister wordt en de andere plek gewoon voorbij wordt gereden. Jardin (spreek uit; Gardien) is zeker niet onontdekt, maar wordt ook niet platgelopen door toeristen. En dat is vreemd, want het heeft het allemaal; een zonnig, maar fris bergklimaat, geweldige natuur, heel veel ‘hike’ mogelijkheden, een bizarre hoeveelheid bijzondere vogels (te spotten net buiten het dorp), heerlijke restaurants, snoeperige huizen in vrolijke kleuren, pittoreske paarden met cowboys erop en -de kern van alles- het dorpsplein.

Alle straten komen uit op het grote plein midden in het dorp, aan de voet van de immense kerk. Hier zit en hangt iedereen de hele dag, op dezelfde houten harde stoeltjes. De enige manier om er comfortabel op te zitten is als je op twee poten naar achteren wipt (wat vroeger in de klas niet mocht) en dat doet dus ook iedereen. Het lijkt echt of niemand hier ooit werkt. Op het plein worden de gekke toeristen besproken die langslopen, worden de laatste roddels uitgewisseld, de wielerrace van vandaag -die dwars door het dorp gaat- besproken en ongetwijfeld ontstaan alle relaties op het plein. Alles en iedereen keuvelt met elkaar, niemand heeft haast en -opvallend- ik zie veel minder mensen op hun telefoon dan elders in Colombia (en de rest van de wereld).

Vanaf het moment dat ik uit de bus rol in Jardin bevalt het plaatsje me. Het heeft een hele relaxte sfeer en het geeft je het gevoel dat er niets hoeft, maar dat er van alles kan. Het voordeel (of nadeel) van reizen in 2025 is dat er altijd wel een hip reiskoppel met een blog is die je de laatste wandelingetjes en koffietentjes in Jardin kan tippen. In die zin is een papieren reisgids echt niet meer zo nuttig. Wie zit nog te wachten op een beschrijving van het interieur van een kerk? Koffietentjes willen weten! Ik volg de tips van het blog braaf op en loop elke dag een van de door hen aanbevolen hikes.

Op de eerste hike blijf ik er bijna in. Nog nauwelijks een voet uit het dorp of ik zie door mijn verrekijker een onwaarschijnlijk mooie vogel, met een hele lange sierlijke blauwe staart. Het blijkt de Andes Motmot te zijn. Nog even later zie ik de bizarre en vuurrode ‘Cock of the Rock’ vogel (what’s in a name). Waar ik gisteren nog zenuwachtig in de avond tevergeefs een vogeltour probeerde te boeken, besef ik vandaag dat dat hier helemaal niet nodig is! Het is niet eens vroeg in de ochtend en bij elke stap kun je weer iets exotisch spannends tussen de takken ontwaren. Het is zeer opwindend vogelen in Jardin en waar zijn die touringcars vol met vogelaars? Ik vrees dat die er op een dag wel gaan komen….Ik eindig de hike met een heel spannend kabelbaantje, een soort kist op wieltjes, die me gelukkig veilig terugbrengt in het dorp.

De ‘Cock of the Rock’ blijkt hier het paradepaardje van Jardin te zijn. ’s Middags kun je je melden bij een stuk privé landgoed waar de vogels met zijn tienen de hele boel bij elkaar schreeuwen en waar je ze uitgebreid kunt fotograferen. Ze kunnen gewoon weg, dus ze zijn niet tam, maar als er twee vogels luid vechtend tussen twee toeristen in over de grond rollen, is het toch wel wonderlijk hoe de vogels de toeristen compleet negeren. Andersom daarentegen is de aandacht van de toeristen voor de vogels onverdeeld. Een wonderlijke combinatie.

In de avond ga ik -eindelijk weer een beetje cultuur in mijn leven- naar het mini-circus dat ik heb gespot aan de rand van het dorp. Ik ben gek op de melancholie van een klein, slecht lopend familie circus; hoe treuriger hoe beter. Ik ben veel te vroeg en uiteindelijk komen er 15 kinderen en 15 volwassen opdagen om de tent tot zo’n 5% op te vullen. Het kaartje kost 2,50 euro. Het is inderdaad best een treurig geheel. Er zijn acht acts, waarvan er zes steeds door dezelfde jongen worden gedaan. Hij is koorddanser, messenwerper en motorcoureur tegelijk. Er is veel interactie met het publiek; ik ben steeds heel bang dat ze me gaan vragen als vrijwilliger voor de messenwerp-act ofzo. Ze slaan me gelukkig een beetje schichtig over, als enige toerist. Ze denken waarschijnlijk: ’wat doet die vrouw hier?’ Of nemen gewoon aan dat ik een Clowns-fetish heb.

Het applaus klinkt niet zo hard met dertig mensen, het geluid staat des te harder. De clowns zijn niet zo grappig en om de zoveel acts worden er plastic lichtgevende ratels en kleffe hotdogs opgedrongen aan het publiek. De spreekstalmeester draagt een t-shirt met een glimmertje over zijn dikke buik en alle artiesten verkopen de prullaria en popcorn zelf. Als ze net iets aan het verkopen zijn, laat de act even op zich wachten. Ik begrijp dat 2,50 voor een kaartje niet voldoende is om de ‘tent’ draaiende te houden, maar je voelt je als publiek wel een tikje ‘belaagd’.

Met de uitsmijter van twee motoren die rondrijden in een stalen ronde kooi is het avondje entertainment gelukkig weer over. Ik loop naar het hotel door een donker en inmiddels uitgestorven dorp. Het zal nog lang duren voordat mijn adrenaline levels het slapen mogelijk zullen maken.

Ps. Omdat jullie ook wel eens willen weten hoe ik eruit zie als ik deze stukjes schrijf, heb ik twee Nederlandse meiden gevraagd me bij het tikken aan het dorpsplein te fotograferen (dit is voor de mensen die meer foto's kunnen zien op Polarsteps).

woensdag 26 februari 2025

Guatapé en de jacuzzi

Guatapé ligt op twee uur met de bus vanuit van Medellin. Het is populair voor een dagtrip in het weekend, dus ben ik er op maandag.

Het dorp staat bekend om zijn kleurige huizen en die stralen me dan ook tegemoet. Een kloddertje roze hier, een kloddertje oranje daar……Ook de inhoud van de toeristenwinkels is heel kleurig, dus je hoeft nog net je zonnebril niet op. De eerste straten zijn zeer toeristisch, dus ik neig al snel naar de straatjes wat meer achteraf. Daar is de verf wat meer verschoten, maar blijven de ‘Zócalos’ interessant.

Zócalos zijn de panelen op de onderste helft van de huizen, waar in 3D en wederom felle kleuren tableaus worden weergegeven die passen bij het huis in kwestie. Bij de bakker is het tafereel een bakkertje met een oven en bij de verfwinkel zijn het blikken verf. Het doet me qua naïeve kunst een beetje aan Ghana denken. Daar kan een fruitverkoper zich laten begraven in een houten kist die de vorm heeft van een ananas en de timmerman kiest wellicht voor een kist in de vorm van hamer. Hoezo abstracte kunst? Het kan maar lekker duidelijk zijn allemaal!

Ondanks de ‘Volendam-vibe’ vind ik het leuk om er rond te lopen. Het is namelijk ook nog een gewoon dorp, met schoolgaande kinderen en met oude mannetjes die sloffend rondlopen. Het maakt dat de balans net klopt.

De andere hoofdattractie hier is ‘El Piedra’; een mega rots op drie kilometer van het dorpje die je beklommen moet hebben om een beetje mee te tellen in deze wereld ;-). Ik prop me in een bus en laat me voor 45 cent vervoeren naar de voet van ‘El Piedra’. Je zou denken dat een grote rots een natuurlijk fenomeen is, maar de Colombianen maken van dit soort attracties graag een ‘kermis’. De restaurants, kleurige ballonnen, souvenirs en de ‘I love El Piedra’-signs shinen je alweer tegemoet. Ik koop een kaartje en ga -de zon is gelukkig al niet meer zo heet- stap voor stap de 750 treden naar boven. Ik heb de EHBO post bovenin niet nodig, maar heb wel weer mijn vertrouwde rode hoofd. Het uitzicht is mooi -het is een merengebied- maar eigenlijk doet het me niet zoveel.

Onder aan de berg regel ik een Tuktuk -dat vervoermiddel hadden we immers nog niet gehad- naar mijn hotel, dat best een eind weg is. Ik ben op ‘Booking’ namelijk gevallen voor een prachtig ‘tiny house’ aan een meer. Ik hoop maar dat het niet tegenvalt, want het is al de hele dag onhandig dat ik zonder eigen vervoer mij van taxi, naar bus, naar Tuktuk moet zien te bewegen. En waar een busrit van 2 uur van hier naar Medellin slechts 4 euro kost, kan een kwartier in een taxi je zo maar 15 euro kosten. Als solo reiziger betaal je natuurlijk ook steeds in je eentje voor een hele taxi en alle tweepersoonskamers.

Ik praat voor mezelf de keuze voor dit hotel en daarmee de hang naar luxe goed, omdat het een aanbieding was en ik oprecht geïnteresseerd ben in alle vormen van ‘tiny houses’; van hout, geïsoleerd in de natuur, aan een meer: ik hou ervan! Je zou bij mij zomaar het ‘Cabin in de woods’ coffeetable boek kunnen aantreffen, behalve dan dat ik helaas geen coffeetable bezit. Dus geen geaarzel meer; in Lonely Planet termen is het tijd voor een ‘splurge’.

Er wordt bij de sjieke receptie wat minzaam gekeken als ik kom aangereden in mijn paars met zilver versierde Tuktuk, maar het kan me niks schelen. Een meneer van het hotel brengt mijn grote tas (waarschijnlijk binnensmonds vloekend) op zijn schouder naar mijn ‘cabin’. Die ‘cabin’ is inderdaad waanzinnig! Alles van hout en glas, prachtig vormgegeven en op het dak zowaar een… jacuzzi! Heel even aarzel ik -met overwegingen als 'spaarzaam omgaan met water' en 'ben ik wel echt toe aan een bad'- maar dan geef ik een ferme ruk aan de kraan; YOLO! Het is heerlijk om mijn door de rotsbeklimming toch wat kleverige lijf in het bad te kunnen onderdompelen. Ik plunder de mini-bar met een frisje en kraak een heerlijk zakje chips weg in de tobbe, pardon… jacuzzi.

Na een kort bezoek aan het restaurant, app ik de receptie dat de ‘vuurman’ nu wel kan komen (dit is geheel volgens de instructies van het hotel zelf, die willen dat je een 'onvergetelijke ervaring' hebt en geen arrogante ingeving van mij) en ja hoor, bij mijn cabin staat een man klaar met een emmer vol hout. Hij bouwt van het hout zorgvuldig een toren in de vuurschaal boven op het dak van mijn cabin en de vlammen schieten meteen omhoog. Discreet trekt de vuurman zich vervolgens terug, mij in verrukking achterlatend met mijn blote voeten naar het vuur om mijn voeten op te warmen.

Dit zijn van die momenten dat je zomaar last zou kunnen hebben van het feit je niemand hebt om romantisch tegenaan te leunen, maar daar heb ik dus nu juist even helemaal geen last van! Met de juiste vrouw zou ik dit avontuur graag willen delen hoor- begrijp me niet verkeerd- maar voorlopig vermaak ik me uitstekend met mezelf. Ik zie genoeg stelletjes onderweg die volkomen uitgepraat zijn, snibbig tegen elkaar doen of lusteloos zitten te kaarten of te swipen, dus af en toe tel ik mijn zegeningen. Op dit soort plekken kan ik namelijk ook last hebben van 'Romantiek Paniek'. Dat is wanneer het misschien wel een beetje romantisch MOET zijn met zijn twee- het juist op zo’n moment ‘in paniek’ niet voelen. Het dichtklappen bij te veel romantische druk.

Het bed ligt zalig. Ik lig natuurlijk diagonaal, omdat het kan. Het is jammer van de houseparty de ganse nacht aan de overkant van het meer. Dat hadden die lui van 'Booking' dan weer niet vermeld.

zondag 23 februari 2025

Medellin en het verleden

Van Santa Marta reis ik ongeveer 1000 km naar beneden om in een hele andere wereld te belanden. Tropisch verandert in warm, korte broek wordt spijkerbroek en het kleine stadje wordt een metropool van 2,5 miljoen inwoners. Alsof mijn ‘vakantie’ in het Noorden voorbij is. Alsof ik weer thuis ben en het stadse leven weer begint. Bij aankomst moet ik enorm wennen; het mag dan wel een stad zijn met veel bomen, maar waarom rijden er zoveel auto’s midden door de stad; meer specifiek zo ongeveer door mijn hostel heen? En wat doe je ook alweer in een grote stad? Waar begin je?

Ik heb een tip gekregen om de volgende ochtend meteen een stadswandeling van 4 uur te doen van Real Tours en dat blijkt een gouden zet. Onze gids Dio is een zeer bekwaam en gepassioneerd spreker die ons vanuit zijn eigen perpectief meeneemt in de roerige geschiedenis van zijn stad. De stad van de ‘Paisa’s’; een ongelofelijk trots volk. Hij slaagt erin om de Colombiaanse context met een paar rake typeringen te schetsen, waardoor de chaos ineens structuur krijgt. Hij belicht de afgelopen zestig jaar waarin de paramilitairen op rechts, de guerrilla’s op links, de overheid en de drugsbendes er met zijn allen een teringzooi van maakten. Twintig jaar geleden nog maar was Medellin de meest gewelddadige stad van de wereld! Je kon als toerist de stad niet bezoeken en het centrum was vergeven van de bendeleden, junks en sekswerkers. In de jeugd van Dio heeft hij zijn beste vriend doodgeschoten zien worden. In zijn wijk waren afrekeningen in het drugscircuit aan de orde van de dag. En was er na jaren ellende eindelijk een veelbelovende presidentskandidaat, dan werd deze op klaarlichte dag in koele bloede afgeknald op een podium in opdracht van Pablo Escobar.

Pablo Escobar klom op als kleine drugshandelaar en eindigde in zijn eentje op de top van de apenrots. Hij verdiende meer dan hij ooit kon uitgeven, ondanks de huizen voor de armen die hij liet bouwen als ‘goedmakertje’ voor alle burgerslachtoffers. Hij bouwde uiteindelijk zijn eigen gevangenis - met alle comfort van dien - en werd in 1993 vermoord. Kom bij Dio dus niet aan met praatjes over ‘hoeveel goeds Escobar ook altijd heeft gedaan’ of met alle kijkers van Narcos op Netflix die Escobar lijken te vereren; het was een boef en geen heilige.

De productie van cocaïne gebeurt nog steeds in Colombia; er is zelfs vier keer zoveel cocaïne in het land als in de tijd van Escobar. Het veel lucratievere, maar ook veel geweldadiger onderdeel - de handel en het transport van de coke - is nu in handen van Mexicaanse drugskartels. Het geweld wat daarmee gepaard gaat, de afrekeningen, zijn in Colombia dus naar de achtergrond verplaatst. De afgelopen 20 jaar is Medellin langzaam uit zijn schulp gekropen. Grote trots is de metro, die inderdaad opvallend schoon en goed georganiseerd is. Bij het metrosysteem horen ook de kabelbanen die de wijken ver over de bergen bewust en goedkoop verbinden met het centrum.

Het centrum van de stad is een aanslag op de zintuigen; overal kraampjes, winkels, muziek, daklozen en de vreemdste optredens. Op pleinen wordt muziek gemaakt en de oudjes grijpen elkaar vast om een dansje te doen. Ik zie een opera zanger in een soort te krap zittend Elvis pak heel vals zingen en even verderop is er verhitte competitie gewichtheffen bezig. Het is levendig, maar soms iets te veel van het goede en dan moet je even op adem komen in een kerkje of in het Botero museum bijvoorbeeld. Botero die heel veel beelden schonk aan deze stad. Een van zijn beelden die werd verwoest door een granaat, bouwde hij precies zo na en de twee beelden staan tot de dag van vandaag op het plein; als herinnering aan de pijnlijke geschiedenis. Als materiële getuigen van een gewelddadig verleden voor een getraumatiseerd volk, die liever vergeet dan herinnert.

Ik dacht dat ik een hekel had aan tours, maar na deze ervaring boek ik voor de volgende dag met dezelfde organisatie nog een tour naar de wijk Moravia. Met een ‘community leader’, Hortensia, een vrouw van rond de 65, lopen we door de wijk die zich langzaam van een letterlijke vuilnisbelt heeft omgevormd tot een volwaardige wijk. Door allerlei sociale projecten is geprobeerd samen te werken met de lokale overheid en tegenwicht te bieden aan de macht van de drugsbendes, die tot de dag van vandaag nog altijd de touwtjes in handen hebben op de achtergrond.

Tijdens Corona is door gebrek aan bewaking helaas een deel van het groene park dat speciaal over de vuilnishoop heen was ontworpen weer teruggeclaimd door mensen die daar opnieuw hun geïmproviseerde huizen bouwen. Niemand heeft zin om door de overheid te worden verplaatst naar grote flats ver buiten het centrum. Het voelt alsof deze problematiek van illegale huisvesting zonder elektriciteit, water of gas nog lang niet is opgelost.

’s Avonds eet ik met een Vlaamse dame die in Ecuador woont, ontmoet in mijn hostel, die werkt voor een NGO en mij precies kan vertellen wat er nog meer speelt bij alle Colombianen die zij traint in weerbaarheid, gender en machtsstructuren. Heel interessant allemaal. Vrijdagavond doe ik een drankje met mijn ‘geheime informatiebron’ Lieke -die werkt voor de organisatie waar ik ook voor werk - en een vriend van haar uit Amsterdam. Lieke schreef haar promotie-onderzoek over de rol van vrouwelijke graffiti kunstenaars collectieven (waar zij zelf onderdeel van uitmaakt) binnen de feministische beweging in Medellin.

Het is dag drie als ik na een heerlijk ritje in de kabelbaan met de mooiste uitzichten over de stad, de beroemde Communa 13 bezoek. Toegegeven, verkeerd getimed qua hitte op het middaguur, maar het bezoek is mijn idee van een toeristische nachtmerrie. Een soort fuik waar je in terecht komt met alleen maar t-shirts, cocktails, lelijke schilderijen, opdringerige optredens en roltrappen naar het ‘uitzichtpunt’ boven waar je helemaal gek wordt van alle verschillende muziek in je oren. Voormalige probleemwijken kunnen wat mij betreft ook TE 'succesvol' worden. Met de staart tussen mijn benen zoek ik een vluchtroute de Communa uit.

Zoals je in de Middeleeuwen waarschijnlijk een stad bezocht om je voorraden aan te vullen en je klaar te maken voor het vervolg van je reis, zo heb ik mij in deze stad gevoed met meer informatie over de Colombiaanse context en me gewarmd aan wat meer en 'echtere' sociale contacten; ik bleek aan beide veel behoefte te hebben. Nu kan ik verder reizen door het mooie decor en krijgen de verhalen wat meer ‘reliëf’.

donderdag 20 februari 2025

Tayrona, het strand en de vissen

Er zijn niet veel mogelijkheden om te overnachten in het National Park, maar ik heb er eentje kunnen vinden. Sommige backpackers liggen in een tent of hangmat op het strand, maar ik vind een kamertje ook wel een heel fijn idee. Daarvoor moet ik weer via een andere ingang van het park mijn weg zoeken naar Crystal Beach. Het is wel een hele ‘expeditie’. Af en toe lijkt het hier wel ‘Ter land, ter zee en in de lucht’.

Ik laat mijn grote koffer achter in mijn laatste hotel en neem - met een kleine rugzak - de taxi naar de andere ingang van het park. Daar word ik ‘overgedragen’ aan een motortaxi, waarmee ik drie kwartier door het park rijdt. De motorman is erg verheugd met dit ritje en is voortdurend met één hand aan het sturen om met zijn telefoon in zijn andere hand een filmpje van hem en mij al rijdend op de motor te maken. ‘Dos manos', mompel ik ongerust.

Op een uitzichtpunt ben ik zowaar getuige van een huwelijksaanzoek tussen twee reizigers, maar bij navraag bij de gids blijken ze dit aanzoek vandaag al vier keer te hebben herhaald op andere plekken, alles voor het perfecte plaatje. Deze gids spreekt goed Engels en zegt terloops dat hij op Texel universitair onderzoek heeft gedaan naar 'iets met biologie'. Dat vind ik soms zo grappig aan reizen; die gekke links en toevallig ontmoetingen! We komen aan bij Neguanje beach; mooie zee, wat verlaten hutjes en bootjes die ons naar Crystal Beach kunnen brengen. Ik sluit me aan bij een gezin uit Bogota, we delen de kosten voor de boot, en ik betaal slechts 5 euro voor het boottochtje van een kwartier naar de volgende baai.

Crystal Beach is inderdaad zo mooi als de vooruitgesnelde belofte. Azuurblauw water, palmbomen, krakkemikkige restaurantjes en mijn hotelletje prachtig boven op de heuvel. Een eenvoudige kamer met alles wat je wilt; uitzicht op zee door de openslaande ramen! Wat een luxe. Ik installeer mij voor de dag op het strand met mijn boek, mijn snorkel 'gear' en een heerlijke cocos limoensap. Ik ben helemaal in mijn nopjes!

Je kunt hier snorkelen vanaf het strand. Vind ik een verademing om niet afhankelijk te zijn van een gids of een vertrekkende boot, maar in alle rust op je eigen tempo de wateren te verkennen. Ik ben redelijk opgetogen over de staat van het koraal; het ziet er goed uit en ik verwonder me erover hoezeer het allemaal nog intact is, met al die klunzige snorkelaars die meestal met een lage waterstand toch per ongeluk met hun flipper tegen het koraal aan schoppen.

Ik zie mooie vissen. De voor mij bekende Papegaaivis, maar ook een grote groene andere met een stompe neus. De ‘needle fish’ met zijn lange neus vlak onder het water en weer die hele mooie kleine donkerpaarse -die zag ik al bij Rosario- met hele kleine lichtgevende puntjes overal! Er zijn scholen met paarse vissen. Het gevaar van meerdere reizen te hebben gemaakt is dat je het altijd elders wel eens ‘mooier’ of ‘spectaculairder’ hebt gezien -hier bijvoorbeeld geen kleurrijk en wuivend koraal- maar ik ben toch dik tevreden met deze snorkel plek.

Vanaf drie uur gaan alle dagjesmensen naar huis. Alleen een handvol mensen blijven achter op het strand. Wel een uniek gevoel om dit paradijs zo’n beetje voor mezelf te hebben! Ik kruip op de houten stoel van de badmeester om vanaf mijn troon de zonsondergang te bewonderen.

De volgende dag in het paradijs slaat mijn stemming om als een blad. Ik heb slecht geslapen door de wind rondom mijn hut. Ik lees ‘Autobiografie van mijn lichaam’ van Lize Spit. Ik vind het prachtig, maar je wordt er ook niet persé vrolijk van. Ik word niet begrepen in mijn Spaans door de restaurant-eigenaren, moet 2.000 peso's betalen voor elke plas op een WC en 10.000 peso’s voor een beetje wifi. Er zijn alleen maar Spaans sprekende mensen om me heen of Europese gezinnen die genoeg hebben aan zichzelf. Ik voel me alleen, al dagen ben ik in alle hotels die ik kies de enige gast. Ik heb geen honger en prop er met tegenzin een pasta met seafood in. Ik voel me opgesloten in deze baai; er is geen enkel weggetje het park in. Ik heb het even helemaal gehad met alles!

Zit je op de meest idyllische plek, is het geluk ver te zoeken! Ook dat is reizen; het moet allemaal net even samenvallen. Ook thuis heb je wel eens een dip. Wat doe je in dergelijke gevallen? Je doet een dutje in een hangmat. Je appt natuurlijk je moeder en je gooit een hulplijn uit naar een van je vriendinnen in Nederland, die je met FaceTime vanuit de kou in het Friese Franeker braaf te woord staat. Ik laat haar mijn zonsondergang zien; dat kan tegenwoordig gewoon.

In mijn kamer zit een krab, die vakkundig door de kokkin wordt weggejaagd. Op de WC zitten prachtige sprinkhanen die net echte blaadjes lijken. Kortom; het gaat wel weer een beetje. Maar ik vind het niet erg om morgen deze idylle te verlaten. Idylles zijn soms best een beetje saai.

woensdag 19 februari 2025

Tayrona, de speakers en de jungle

Het National Park is nog steeds gesloten vanwege de ‘zuiverings rituelen’ van de Inheemse bevolking, maar ik verblijf twee dagen aan de rand van het park, om er morgen als de kippen bij te zijn als het park weer opengaat. Mijn standplaats is het dorpje Calabazo, waar een van de ingangen van het park zich bevindt.

Als ik uit de bus stap in Calabazo schalt de keiharde accordeon muziek al uit de speakers. Dreunende bassen blazen je omver. Dit blijkt meteen de beste kennismaking met het dorp, want dit zal twee dagen zo blijven. Gekmakende, OORVERDOVENDE muziek, de hele dag en bijna de hele nacht door.

In de hoteleigenaar tref ik eindelijk iemand die goed Engels spreekt. Dat mis ik soms wel in Colombia; je komt dan zoveel meer te weten! Hij weet mij op zondagochtend te vertellen- na een nacht wakker liggen van het gedreun uit het dorp- dat het misschien wel zo klonk, maar dat er helemaal geen groot feest was. Ik overwoog zelfs nog om 03.00 uur 's nachts maar eens te gaan kijken hoe dat feest er dan uit zou zien. De hoteleigenaar helpt me uit de droom; als ik zou zijn gaan kijken had ik maar drie mensen op plastic stoeltjes aangetroffen.

Sommige cafe’s in het dorp worden gerund door guerilla’s en zij zijn niet bereid om de volumeknop omlaag te draaien. Hoezeer de hoteleigenaar ook probeert aan te geven ‘your killing our business’, de guerilla’s hebben er geen boodschap aan. Ook niet na bemiddeling van de burgemeester. Ik word op 500 meter afstand al gek, laat staan dat je ernaast woont! Dag in, dag uit. Hij vertelt dat er oude en zieke mensen zijn in het dorp (of mensen met jonge kinderen) die echt wanhopig worden. Het lijkt op het treiteren van het volk. Het legt in elk geval veel bloot over de machtsverhoudingen in dit -en naar ik vermoed nog veel meer - delen van Colombia. Behalve een politiecontrole in de bus, heb ik nog helemaal niets van de guerilla's gemerkt. Ik vind het vooral zo intrigerend dat iedereen overdag doet alsof die heksenketel van vaak twee speakers tegenover elkaar heel normaal is; ik vermoed dat iedereen half doof is.

Het kerkgezang deze zondagochtend lokt me meer en even mag ik binnen meekijken in de ‘kerk’: een kale hal met 100 plastic stoeltjes en een podium met een band. Alweer veel live muziek, veel gekwelde gezichten, veel mooie zondagse jurken (ik ben zelfs ook op mijn zondags, met mijn gele jurkje). Ik vermoed dat het een evangelische kerk is en het zou me niet verbazen als hier straks wat kwade geesten worden uitgedreven. Ik wacht dat niet af.

In de middag begin ik tamelijk onvoorbereid en veel te laat natuurlijk aan een hike in het National Park. Het gaat bergopwaarts, ik loop rood aan in de hitte en realiseer me dat ik niet teveel moet forceren. Ik zie ‘sterretjes’ en mijn lijf is nooit goed geweest is warmte afvoeren. Brommertjes brengen je gelukkig -tegen betaling- het eerste stuk de berg op.

Zo loop ik uiteindelijk helemaal alleen in een van de belangrijkste ecosystemen van Caribisch Colombia; de jungle van Tayrona. De jungle verdicht zich hier en je bent alleen met de natuur. In de verte hoor ik het oprecht dreigende geluid van de ‘howling monkeys’. Er loopt -getuige een informatiebord- ook nog ergens een jaguar rond. Hmmm, al met al best spannend. Ik heb lol in het nadenken over wie dit soort dingen echt helemaal niet zou trekken.

Bijzonder vind ik het om een paar Kogi indanen, het hengsel van hun tas over hun voorhoofd, tegen te komen onderweg: ik ben te gast in hun natuurlijke habitat. Ergens verscholen in de jungle is hun 'pueblito', die de laatste jaren verboden terrein is voor toeristen. Ik hoor vogels die de app Merlin niet herkent. Ik zie een prachtige 'Kingfisher' op een tak. Er zijn hier zoveel diersoorten te ontdekken! Ik krijg dan altijd fantasieen over hoe het zou zijn om hier een natuur documentaire op te nemen. Is dat een droombaan of een nachtmerrie als je 12 nachten ligt te wachten tot die verdomde jaguar een keertje langskomt?

Het lopen blijft zwaar en als ik van twee reizigers hoor dat het strand nog één uur lopen is, weet ik dat ik op safe moet spelen en terug moet gaan. Als ik mijn enkel zou verzwikken heb ik een serieus probleem hier. Het laatste stuk neem ik een brommer-taxi, gesterkt door een heel fit jong stel, die ook niet weten hoe snel ze een brommer moeten regelen. Wat zou ik me dan nog lopen uitsloven! Ik heb toch even mooi kunnen proeven van de jungle met zijn geluiden en de stilte, voordat ik weer op de -inmiddels vertrouwde - muur van geluid in Calabazo stuit.