woensdag 28 april 2010

De Opgieter


Mijn gehele weekend stond in het teken van gezond leven. Of moderner; ik was nogal in de weer met ‘wellness’.

Op zaterdag deed S. een cursus ‘eetbare planten’, waarbij haar door een moderne kruidenvrouw precies werd verteld welke blaadjes uit de tuin je wel en niet kunt eten. Blijkt toch dat je bijna je hele tuin kunt opeten! Ongelofelijk. Ik was mee om mij over het kind te ontfermen en mocht, als dank, meelunchen. Vooraf een wild kruidensoepje zonder zout (oei, wat miste ik het zout), een quiche met vergeten groenten (ze waren de groenten helemaal niet vergeten!) en als toetje een soort zuurdesem muffin zonder zoet (oei, wat miste ik het zoet). Na een dergelijk maal ben je je in elk geval weer bewust van je eigen verslavingsgraad. Afkicken dus van zoet en zout en hopen dat je ooit nog eens, bij het proeven van een zuurdesem muffin uitroept: ‘Ai, wat zoet, het glazuur springt van mijn tanden!’

’s Middags keken we ineens met hele andere ogen naar al die mooie paardenbloemen in de wei en al snel vermaalde ik de eerste bloem tussen m’n tanden. Lekker hoor, vooral die gele blaadjes, de knop lieten we zitten. Pinksterbloemen lieten we ook even staan, want die had S. nog niet gehad in de cursus. Wel demonstreerde ze vol trots hoe ze een brandnetel durfde te pakken, op te rollen en op te eten (truc: snel pakken en niet ‘erlangs aaien’, want dan gaat het juist fout). Echt puik spul, schijnt, die brandnetels. Je kunt er soep van koken en truien van breien. S. overweegt er een speciaal hoekje voor te reserveren in de tuin. Toen kleine Z., totaal geïnspireerd door mama, ook een brandnetel wilde pakken, ging het blijkbaar toch net iets te langzaam, waardoor we wel weer meteen op zoek konden naar een Hondsdrafje om over de zere plek te wrijven.

Zondag was het de beurt aan de uitwendige mens. Ik had met vriendin M. en vriendin W. afgesproken bij de Veluwse Bron; een mega saunacomplex op de Veluwe. In knusse badjassen gehesen betraden wij de ligweide. Eigenlijk was het veel te mooi weer voor een badjas, dus kreeg de sauna al snel de sfeer van de bloten billen camping. Hangend in de stoelen bekeken we de mogelijkheden: Hamam, Hydromassage, Scrubtempel, Gletsjergrot, Wildobservatiesauna, Pakistaanse Zoutsteenmijn, Royaal bruisbad, tropisch strand, neveldouche en zelfs een Goed Gespreksauna…. (Ik verzin dit niet, zou Sylvia W. zeggen). Je zou weer bijna gestrest raken van alle opties, maar dat is natuurlijk helemaal niet wellness.

We kozen dus maar gewoon voor het enige waar een lange rij voor stond; de Opgietsauna. Ieder uur waren er opgietsessies met klinkende namen en speciale geuren. Uitgangspunt van dit, oorspronkelijk Finse, concept is dat mensen bil aan bil in de sauna gaan zitten en dat een of twee ‘Opgieters’ water met een geurtje over de kooltjes gieten. Vervolgens verspreiden zij de hete lucht door middel van sierlijke, doch krachtige bewegingen van een handdoek over de mensen.
Ik was onmiddellijk gefascineerd door de Opgieters; in ons geval twee heren in geblokt lendendoekje, gecombineerd met een sportpolo met bedrijfsnaam. Ik dacht; dit is dus een nieuw beroep! Waar oude beroepen als smid en kruidenier verdwijnen, komen er, dankzij wellness, weer andere voor in de plaats! Ik staarde gebiologeerd naar de Opgieter, wat grof gebouwd, die tijdens zijn ‘dans’ met de handdoek, op de psychedelische klanken van Pink Floyd, helemaal leek op te gaan in zijn rol als ceremoniemeester. Het publiek kreeg van die handdoek steeds een hete ‘veeg uit de pan’, die met instemmende klanken werd ontvangen. De Opgieters hielden in alle hitte gewoon stoer hun polo-shirtjes aan en namen dankbaar het luide applaus na afloop in ontvangst. Het kreeg ineens iets van een leeuwentemmers-act in een circus; de zweepjes vervangen door een handdoek en het aangekleede publiek vervangen door naakte mensen. Voor de liefhebbers was er daarna ruimte voor een sprong in het koude meer. De Opgieters sprongen, zonder poloshirt, als eerste kwiek het water in, terwijl ik vanaf het strandje bewonderend toekeek.

Ik hoop dat ze beroepskeuzetesten aanpassen aan de ontwikkelingen in de maatschappij. Ik pleit ervoor dat de ‘Opgieter’ terstond wordt toegevoegd aan de lijst van mogelijke beroepen. Het lijkt me namelijk een prachtvak.

dinsdag 20 april 2010

Specht


Kleine Z. wordt iedere morgen wakker van het keiharde getik van een specht. En dat midden in de stad! Zou het soms een stads-specht wezen? Hij heeft zich keurig aangepast aan de omstandigheden en is, net zoals bij mensen, een tikje (of tokje?) luidruchtiger dan zijn provinciale variant. Deze specht hamert namelijk niet meer op een boom (hopeloos ouderwets), maar op een Pvc-buis, zodat zijn tok schalt over het gehele WG terrein. Niets vermoedende passanten kijken steeds onderzoekend in het rond als ze het typerende geluid horen; is dat nou een specht? De specht verschuilt zich ondertussen gierend van het lachen achter zijn Pvc-buis; echt kicken, die echo hier tussen die huizenblokken!

Ondanks het feit dat er spechten in de stad blijken te wonen, willen S. en ik toch een weekendje de stad uit. Er is tenslotte nog meer natuur te beleven! Ons reisdoel is Herberg Het Volle Leven in Appelscha. Al zeven jaar lukt het ons niet om daar eens te belanden, maar nu lijkt het zowaar toch een keer te gaan gebeuren. We fietsen vanuit Meppel naar Appelscha en genieten van het wonderschone landschap en de stilte onderweg. Dromerige schapen in heideachtige landschappen en aangeharkte tuintjes rond veel te grote en mooie boerderijen. Wat een weldadige rust heerst hier op een lome vrijdagmiddag! Weer eens wat anders dan in het weekend ‘lekker erop uit te gaan’ om dan vervolgens de gehele Randstad tegen te komen tijdens een NS-dagtocht!

Bij de herberg genieten we moe en voldaan van een glaasje in de laatste zon. Het is echt anders zo, zonder kind erbij. Veel meer aandacht voor elkaar, veel meer rust. Die is echter van korte duur. Tijdens het diner in de herberg staat ons tafeltje voor twee naast de grote familietafel, waar vier kleine kinderen om het hardst om aandacht brullen. “Marjo, toe nou, nog een laatste hapje…..” “Olivier, kom eens even bij mamma”. De herberg lijkt gevuld met kinderstemmen en ook de andere Grote Mensen tafels zijn er een beetje stil van. Misschien waren er meer mensen die een avondje ‘zonder’ hadden gepland? We negeren de kleuters in pyjama op de gang als we onze kamer opzoeken. We negeren de opgewonden kinderstemmetjes aan de andere kant van de muur als we in bed gaan liggen. Onze nederige wens is een lange nacht slaap in de stilte van de Drentse nacht. Laat ons voor een keer niet te vroeg gewekt worden door een kind…

Tok, tok, tok! Het is een specht die ons veel te vroeg wekt. Weliswaar eentje die nog ambachtelijk met hout werkt, maar ook door het in alle haast aangebrachte hoofdkussen op je oor, kun je hem nog best goed horen.

Uitslapen, kinderloos, spechtloos; het is allemaal ijdele hoop dit weekend. Maar goed, Drentse kinderen en Drentse spechten klinken toch echt heel anders dan we thuis gewend zijn. Morgen gaan we weer opgeladen terug naar het Amsterdamse grut dat praat met een 'Kinderen Voor Kinderen-accent' en onze Pvc-specht.

zondag 11 april 2010

Tweede leven



Ineens vind ik dat ie eruit moet: mijn bank. Nog maar een paar jaar geleden aangeschaft na een verschrikkelijke zoektocht langs alle bankzaken van Nederland en nu al niet meer toereikend bevonden. Hij hangt wel lekker, maar hij zit niet zo en je kunt er al helemaal niet prettig op converseren met twee mensen. Niet dat ik dat ooit doe, maar het moet natuurlijk wel kunnen! Het is een soort sofa, zo een waar je ellenlange Freudiaanse monologen op kunt liggen voeren, maar dat wordt toch niet meer vergoed, dus weg met die bank!

Ik begin weer opnieuw aan een verschrikkelijke zoektocht langs alle bankzaken van Nederland. Ik sleep mezelf winkel voor winkel door Villa Arena, waar ik duizelig van de prijzen, de modellen en de naargeestige sfeer mij nog net, met de nodige mueslirepen tegen de onvermijdelijke suikerdips, heen weet te slaan. Ik vind het ook altijd zo zielig dat er nog mensen zijn die in dat soort winkels moeten werken. Hopelijk zijn ze gek op Facebooken, Sudoku of zich ontiegelijk vervelen, want klanten zijn er verder niet.

Op de Rozengracht stap ik nietsvermoedend een bankzaak binnen en vlij neder op een niet al te beroerd ogend bankje. Als ik het prijskaartje omdraai, blijkt er toch echt € 9.000 te staan, waarna ik, vriendelijke knikkend het pand weer snel verlaat. Zo zit ik, op mijn sokken om het loungegedeelte niet te besmeuren, op diverse canapeetjes door de hele stad. En ik word maar niet verliefd. Uiteindelijk slaat de vonk toch over in Zaandam; altijd al een stad die ik met romantiek associeer. Ik heb haar meteen gespot in de grote hal van Loods 5: ze is bruin en breed, heel meegaand, je kunt heerlijk op haar liggen en ze is ook nog eens in de aanbieding.

Mijn nieuwe liefde zal over twee weken bij mij thuis worden afgeleverd. In de tussentijd poog ik mij te ontdoen van mijn oude bank. Dat blijkt nog geen sinecure. Ik schrijf voor Marktplaats wervende teksten, maak zonnige foto’s en bel drie keer de advertentie ‘omhoog’, maar ik raak haar aan de straatstenen niet kwijt. Het enige bod dat er is, wordt stilletjes ingetrokken. De volgende fase lijkt mij de kringloopwinkel, maar die doen geen zaken in De Pijp of ze hebben een wachtlijst van tien dagen. Bovendien doen ze niet aan takelen. Voor alle mensen op 3 hoog, die niet 24-uur een takelploeg klaar hebben staan, toch een behoorlijke hindernis.

Op de dag van bezorging gaat dus de nieuwe erin en de oude er gelijk uit. Op deze zomerse dag kijken alle mensen op de terrassen in mijn straat hoopvol toe of ze misschien nog getuige mogen zijn van een fijn takelongeluk; iets met een geplette hond of een kapotte etalage, maar alles loopt gesmeerd. De buurvrouw van de winkel maakt speciaal een bord met ‘Gratis, meenemen aub’ en ik spreek actief voorbijgangers aan of ze mijn bank willen hebben. Niemand wil. De volgende fase is bij het grofvuil. Ik loop die avond nog vijf keer naar buiten, hopend op een kraker met een bakfiets die altijd al op zoek was naar een ‘zonnig gouden sofa’.

Als het zachtjes begint te regenen zijn eerst de kussens weg en daarna het onderstel. Godzijdank. Krijgt mijn oude bank toch nog een welverdiend tweede leven. Doodmoe van alle recyclepogingen nestel ik mij tevreden op mijn nieuwe bank.

zondag 28 maart 2010

De Band


Lang geleden, nog maar drieëntwintig lentes oud, zong ik in een heuse band. Ik was ‘ontdekt’ tijdens het verkopen van biologische croissantjes, mijn bijbaantje van toen.

Altijd als ik met A. werkte in de bakkerij dan duurde het niet lang of we speelden opera-taferelen na vanachter de broodmachine, waarbij we nep-aria’s galmden door de betegelde ruimte. De klanten bleven schichtig staan voor het stoepje van de bakkerij en besloten ons meestal maar niet te storen. Dat vonden wij helemaal niet erg. Van al die klanten werd je koffie verkeerd toch steeds zo vervelend lauw en we zaten inderdaad net midden in een scène.

A. vertelde haar vriendje S. dat ik zo verdienstelijk kon galmen en zo kwam het dat S. mij vroeg om te komen zingen in zijn band.

Het was een echte band, bestaande uit vijf ‘oudere’ mannen. Misschien waren ze wel 35 jaar oud! Elke maandagavond reden we achter elkaar aan in auto’s van Amsterdam-Oost naar een obscure oefenruimte ergens op een oud industrieterrein in de buurt van Halfweg. Er hing een groot slot op de deur en als dat eenmaal open ging konden we ons heiligdom betreden. Een gammel drumstel op een goor tapijt. In mijn herinnering was het er altijd 5 graden; ook in de zomer. De ‘jongens’ dronken bier en voelden niets van de kou; ik droeg in die tijd gelukkig standaard een thermo-jasje uit het leger en dronk te koud water uit een meegebracht plastic flesje. Toen ik later nog wel eens oefenruimtes betrad waar het wel gewoon 20 graden was, begreep ik met terugwerkende kracht waarom ik blij had moeten zijn met die 5 graden. De geur die heren rokend, zuipend en zwetend weten te produceren in een kleine ruimte zonder ramen met een normale temperatuur doet je spontaan terugverlangen naar een betonnen oefenschuur in Halfweg.

Elke maandag reed ik met S. mee. Hij schreef de teksten en was, samen met F., de drijvende kracht achter de band. Als ik voorzichtig opperde dat ik eigenlijk niet wist wat ik zong als ik bijvoorbeeld ‘shoestring pavement’ zong, praatte hij zorgvuldig op me in dat er niet zoveel toe deed en dat het in elk geval klonk alsof ik het dondersgoed begreep.

De jongens wilden wel beroemd worden. We hadden al een handelsmerk, de ‘twin solo’ van twee gitaren en we vergaderden avonden lang over een bandnaam, de kleur van de hoes van onze eerste CD en de sfeer die deze moest uitstralen. Dit alles voordat we ook maar een voet op een podium hadden gezet. Toen dat dan uiteindelijk toch dreigde te gebeuren had ik ineens een burn-out, ging gitarist T. naar Costa Rica en ging drummer W. trouwen en verhuizen. Weg beroemde band.

Ik was wel verbaasd toen S. laatst belde. Voor een bandreünie. Daar zaten we dan, met z’n allen rond de tafel, vijftien jaar na dato, en iedereen dacht dat het zijn/haar schuld was dat de band ermee was opgehouden. Alleen F. had niemand kunnen opsporen, want niemand had die vijf jaar de moeite genomen naar zijn achternaam te vragen. Door de peperdure boxen van S. klonken de opgepimpte geluiden van de demo die we ooit maakten. Bij de twin solo keken de gitaristen elkaar nog steeds glimmend aan en bij de keyboard solo verzuchtte de toetsenist dat dit nu toch wel afgrijselijk ‘eighties’ klonk. Hij speelde nog uitsluitend piano.

Allemaal kregen we een CD van de band mee naar huis, met een hoes die de sfeer moet uitstralen van onze muziek. Soms duurt het concrete resultaat van eindeloos vergaderen gewoon een beetje langer.

http://www.writersday.nl/songs.html

zaterdag 20 maart 2010

Lente


Het is lente, dus ik dacht, ik ga eens kijken of er nog gecruised wordt op de Oeverlanden*.

Daar fiets ik dan, mij verlustigend aan de warme wind na al die kou van de afgelopen maanden. De natuur ziet er nog een beetje pips uit, onzeker of het zonder gevaar op sneeuwbuien, haar lentejurk mag showen.

En daar heb je dan de eerste man ‘in het wild’. Ik zit meteen rechtop op mijn fiets, want dit mannelijke ‘paringsritueel-zonder-mogelijkheden-tot-voortplanting’ boeit mij uitermate. Meer dan het foerageergedrag van de Eidereend of de territoriale driften van de Woelmuis.

De mannen in kwestie lopen zo nonchalant mogelijk te dralen op de paadjes tussen de struiken in. Ze dragen camouflagekleuren, maar soms ook brutaal een knalrode jas op klaarlichte dag, zoals ik nu kan constateren. Zou daar ook een code achter zitten?

Daar, ergens achter een boom, onttrokken aan het oog van nieuwsgierige passanten als ik, moeten zich het ritueel voltrekken. Hoe zal het gaan? Hoe gaat zoiets in zijn werk? Als je bij wijze van spreke dat knalrode jack recht op je af ziet komen, kun je dan nog snel een zijpad inschieten? Bij chat-roulette heb je daar een handige 'next'-knop voor.
Zeg je eerst iets neutraals over het weer of ‘u ook een goeiemiddag!’ of wordt er niet gepraat, maar vooral veel en mysterieus in de ogen gekeken? En wat als de ene man het wel ziet zitten, maar de andere meneer nog niet dood gevonden zou willen worden met deze viespeuk? Misschien dat sommige mannen om deze reden liever ’s nachts gaan. Dan weet je het tenminste niet, dat van dat rode jack.

En als je dan besloten hebt elkaar toch wel te willen, hoe communiceer je dan vervolgens over hoe je het hebben wilt? Blij, blij, blij, van voren, van achteren, maar niet opzij? Wij mensen beschikken helaas niet over subtiele signalen als een druppel links of rechts van onze snavels laten glijden. Werken zakdoeken en oorringetjes nog steeds als symbolen voor iemands voorkeuren of zijn er weer hele nieuwe in omloop? Tekens met de hand? Of herkent iedereen in het ‘circuit’ onmiddellijk elkaars profiel?

Het zal weer de antropoloog in mij zijn die zo nieuwsgierig is naar de taal en de codes van deze stam. En zich bezighoudt met vragen als: ‘zou er nog een beetje gelachen worden, daar in die bosjes van de Oeverlanden?’ Het ziet er namelijk best serieus uit, dat gesluip door de natuur. Toch weer een beetje mannen op oorlogspad; maar in plaats van elkaar doodschieten, elkaar gewoon eens flink verwennen. Misschien toch ook wel een idee voor aan het echte front. Make love, not war. Moeten ze toch nog wat boompjes aanplanten in die Afghaanse woestijn.

*De Oeverlanden is een van de weinige natuurgebieden rond Amsterdam, naast het Nieuwe Meer. Het staat bij homo’s ook wel bekend als ‘cruise’-plek; een plek om seks te hebben in de vrije natuur.

vrijdag 26 februari 2010

Dineren in het donker


Mijn vriendinnen en ik trakteren elkaar op ‘uitjes’ als we jarig zijn. Geen eetbare uitjes, maar uitjes om te doen. Dit alles vanuit de gedachte dat al onze materiële wensen al zijn vervuld. Wat zij niet weten is dat ik elk jaar rond september begin met het samenstellen van mijn verlanglijst, die rond december toch zeker twee A4tjes beslaat. Maar mijn vriendinnen vragen nooit naar die lijst, dus heb ik, ruim twee maanden na mijn verjaardag, mijn jaarlijkse verjaardagsuitje.

Vriendin A. heeft al uit de school geklapt omtrent de invulling van de avond. Vanuit het idee dat het leuk en leerzaam is om je eens in te leven in de visueel beperkte medemens gaan we eten in het donker! Lichtelijk nerveus betreden wij de serre van het restaurant, waar godzijdank het licht nog brandt. Een alleraardigste jongeman schenkt ons eerst een glaasje in, informeert of wij bepaalde dingen niet eten (zo vernemen wij dat de walnootallergie van vriendin R. nu toch echt over zijn hoogtepunt heen is) en bevestigt vervolgens dat het in het restaurant straks pikkie, pikkiedonker zal zijn. Allemaal moeten we ineens nodig plassen; nu kan het namelijk nog zonder hulp! Het zwarte toiletpapier moet ons enigszins voorbereiden op wat komen gaat.

Dan is het zover. We kunnen er niet meer omheen. Ober Jeroen, zelf voor 90% blind, staat ons op te wachten om ons naar onze tafel te brengen. ‘Leg jullie handen maar op de schouders van degene die voor je staat’, zegt ie bemoedigend en in een vrolijke polonaise verdwijnen we door het gordijn in een zwart gat. Het is bepaald geen originele gedachte, maar ik denk gedesoriënteerd: wat is het hier donker! Onze polonaise stopt en Ober Jeroen roept elk van ons bij naam, begeleid onze handen naar de rugleuning van een stoel en wacht tot iedereen erin geslaagd is te gaan zitten. Even voelen. O, ik blijk naast vriendin A. te zitten en tegenover mij hoor ik onmiskenbaar de stem van vriendin R.
Vriendin W. piept vanuit de hoek dat ze vergeten was dat ze eigenlijk een beetje bang is in het donker. Het is dus nu een kwestie van afleiden. Gelukkig, daar komt het voorgerecht.

Er is ons niet verteld wat we precies te eten zullen krijgen. Wel heb ik in een vlaag van overmoed vis besteld. Bestek blijkt niet te werken in het donker, dus vindt mijn hand op het bord onduidelijke stukken rauwe vis. Ik kan niet thuisbrengen wat ik eet. Vriendin A. is helemaal op haar gemak in de duisternis. Ze zegt steeds dingen als: ‘ik zit lekker met mijn ogen dicht' of 'ik eet lekker met mijn handen’ en ‘je kunt nu ook stiekem….’en dan volgt er telkens weer een nieuw stout idee, zoals bijvoorbeeld je middelvinger opsteken. Vriendin A. is namelijk nogal op dergelijke vrijheden gesteld. Vriendin W. is gelukkig ook op haar gemak en goed afgeleid door haar gevulde paprika. Als je even niet deelneemt aan het gesprek, zak je weg in je eigen wereld, heerlijk onderuitgezakt en knikkebollend. Uit de geluiden om ons heen maken we op dat het een goed gevulde avond is in het restaurant; we horen gelach, soms vallend bestek, maar geen idee hoe het er hier uit zou zien als iemand per ongeluk tegen het lichtknopje zou stoten.

Als mijn vriendinnen tijdens het toetje lyrisch uitwijden over de heerlijke cake begrijp ik niet waar ze het over hebben. Totdat ik mijn wijnglas zoek en prompt achter mijn bord op het tafelkleed mijn cake met slagroom terugvind! Verheugd begin ik te happen. Als Ober Jeroen nog een glas komt brengen en ik uiteindelijk zijn arm vind, omklem ik deze met mijn slagroomvingers. Hij geeft geen krimp. Als vriendin R. zich namens mij hiervoor excuseert moet hij lachen en vertelt dat hij drie keer per avond in de keuken zijn armen desinfecteert. Ober Jeroen is wel wat gewend.
Wij zijn inmiddels zo vertrouwd met de duisternis dat we ook de koffieronde in het donker willen, waarop Jeroen zich toch genoodzaakt ziet om strengere orders uit te delen. ‘Handen van tafel! Chris, ik zet de cappuccino NU voor je neer’.

Onze polonaise zet zich weer in beweging en onze ogen moeten wennen aan het licht. Saai hoor; als je alles weer kunt zien. We fantaseren nog een tijdje hoe je hier een ‘blind date’ kunt hebben, met je stiekem-leuke-collega kunt voetje vrijen tijdens een bedrijfsuitje of het uit kunt maken met je partner zonder deze recht in de ogen te hoeven kijken.

Dit uitje is ons prima bevallen. Met vele toepassingsmogelijkheden een echte aanrader. Daar kun je blind op vertrouwen.

woensdag 17 februari 2010

Kijkbuis


Nu in mijn LAT-relatie het accent de laatste tijd meer op de A dan op de T ligt, ben ik ineens vaker thuis. Ik kom vaker in de Dirk, kook vaker (soms per ongeluk opvallend lekker), lees vaker de krant en…..kijk meer naar de TV.
Deze uitvinding voor de zich vervelende mens blijkt soms toch ook ineens mijn beste vriend(in?).

Maar ik kijk wel selectief, hè. De grootste bagger komt mijn huiskamer echt niet in. Hoewel… ik heb laatst wel een hele uitzending van ‘71 Graden noord’ gezien. Voor al mijn culture vrienden die alleen maar slechte weblogs lezen en geen slechte TV kijken: dat is een programma waarbij tien Bekende Nederlanders en Vlamingen strijden om de overwinning in de koude sneeuw van de Noordkaap. Ik bleef maar kijken, met als belangrijkste vraag: ‘zou ik het hebben volgehouden?’ Zo warm en knus op mijn bank onder mijn fleece dekentje meen ik dan toch echt van wel, terwijl mijn laatste ervaringen op mijn toerski-tocht toch een andere richting op wijzen. De beste stuurlui zitten op de bank. En dan dat elkaar wegstemmen aan het eind van het programma! Heel Nederland is dat na Big Brother normaal gaan vinden, maar het blijft natuurlijk bespottelijk.

Waar ik wel wat mee kan zijn de dames van Toren C. Vooral voor mij, werkend in een vier verdiepingen hoog kantoorgebouw, leveren de absurde scènes vaak een goede mix van herkenbaarheid en overdrijving op, waar je de volgende kantoordag weer goed mee door komt. Het kantoorleven is namelijk ook absurd, alleen niemand die het toe wil geven! Er zitten wel iets te veel sex-grappen in. Dat vind ik weinig realistisch, want ik merk er nooit wat van dat 30% van de Nederlandse bevolking HET wel eens heeft gedaan op het werk. En dat is uit betrouwbare bron, namelijk uit de Metro (ja, ik lees tegenwoordig wat vaker de krant…). Vooral de scènes met de beveiligingsbeamtes die moeiteloos switchen van een mannen- naar een vrouwenrol en andersom vind ik, als voorstander van het genderbenden, toch erg vermakelijk. Je moet er wel een beetje melig voor zijn, voor Toren C.

En er was weer eens een serie waar je voor thuis blijft. Of snel thuis wil komen, merkte ik vorige week toen ik mij, geheel tegen mijn principes in, door een man in een auto liet thuisbrengen. Het was eigenlijk tegen drie principes in: ik laat me niet graag thuisbrengen, niet door een man en niet door een auto. Wel was ik dus mooi om 20.10 uur thuis om vijf minuten later deel zes van de serie ‘Annie M.G.’ te kunnen zien. Met name door het spel van Annemarie Prins, in de rol van de ‘oude’ Annie, vond ik het een fantastische, kleurrijke, overvolle en toch ook intieme serie. Ik heb dan ook zeer gepast mijn tranen de vrije loop gelaten toen ‘onze’ Annie in de laatste aflevering dan toch iets te veel pilletjes door haar yoghurt prakte. Helemaal passend ook bij alle recente aandacht voor hulp bij zelfdoding voor ouderen (ja, ik lees tegenwoordig wat vaker de krant…). Hoewel de serie nog zo had geprobeerd om te laten zien dat ‘onze’ Annie helemaal niet zo’n schatje was, vond ik haar in al haar grilligheid alleen nog maar echter en stoerder worden. Het schijnt dat de regisseuse van de serie niet eens de biografie heeft gelezen waarop de serie gebaseerd is (ja, ik lees tegenwoordig wat vaker de krant…), maar los van de feiten, leverde het mooie en met aandacht gemaakte televisie op.

Sinds ‘Coldfeet’ had ik niet meer dat gezellige zondagavond serie-gevoel. Die fijne kijkbuis-knusheid. Ik verlang nog helemaal niet naar de zomer. Van mij mag het om vijf uur wel weer donker worden. Mijn fleece- dekentje en ik lusten nog wel een schaatswedstrijd of liever nog een goede serie.