dinsdag 11 februari 2025

Rosario eilanden en zeevonk

Dichtbij Cartagena liggen de Rosario eilanden. Omdat ik hou van eilanden in het algemeen, snorkelen in het bijzonder en wel behoefte heb aan een rustige plek om de reis een beetje uit te denken, besluit ik ervoor te gaan. Ik heb de 45 minuten in een speedboot er wel voor over -nooit mijn favoriete onderdeel wegens heel snel zeeziek- maar hee ‘you only live once’! ;-)

Het eiland is alles wat je hoopt; azuurblauwe zee, palmen, salsa muziek, ligbedjes, slaaphutjes op palen, veranda’s en Pina Colada’s. Maar het eiland is nog veel meer: tijdens de lunch wordt ons strandje overspoeld door dagtoeristen; mensen met geen flauw benul van waar ze zijn, die selfies nemen op het strand, hun eigen muziek aanzetten, hun blote lichamen in alle vormen en variaties aan de medemens bloot geven en die godzijdank -altijd later dan je hoopt- na de lunch naar hun bootjes worden teruggefloten.

Het eiland is ook echt ‘run down’ op veel plekken. Ik maak veel wandelingetjes, maar overal liggen bergen met steentjes voor onduidelijke verbouwingen, zitten er grote gaten in de weg, zie je afval en huizen die half af zijn, barretjes die lang geleden zijn verlaten en veel bruisende lokale cultuur lijkt er niet te zijn. Wat zou het mooi zijn als hier, zeg door een overheid, een mooi plan gemaakt wordt voor echt duurzame ontwikkeling, waarbij toeristen een mooi eiland te zien krijgen en waarbij de lokale bevolking allemaal evenredig delen in de opbrengsten van het toerisme.

Niet veel levendigheid hier dus, maar wel veel loslopende honden, waarvan er eentje met een bloederig oog het uitgerekend op mij heeft voorzien. Als hij op mijn veranda komt slapen vind ik hem nog wel lief, maar als hij bij mijn bezoekje aan ‘El Pueblo’, het dorpje midden op het eiland, met zijn gore poten ineens vanuit het niets tegen mijn witte truitje aanspringt, vind ik het ineens niet meer zo’n leuk hondje.

’s Ochtends heb ik -naar wat blijkt - een privé-snorkeltour met José, een kleine gedrongen man die op dit eiland geboren is. Boven water is het lastig een goed gesprek met hem te voeren, maar al snorkelend onder water is het net alsof we nooit anders gedaan hebben. Ik zie dat het koraal inderdaad dood is, dat er ondanks dat toch mooie vissen zijn en dat José om vissen te lokken aan het koraal zit te plukken. Nu vind ik José ineens niet meer de leukste gids.

In het huisje naast die van mij verblijven twee Nederlandse dames. We raken aan de praat en ik vertel ze via mijn ‘geheime informatiebron’ in Medellin dat hier het verschijnsel zeevonk te zien is. Plankton in zee licht bij een bepaalde temperatuur bijna fluorescerend op. Ik zag het ooit op een zwoele zomeravond in Bergen en was helemaal betoverd. De dames zijn meteen dol enthousiast.

Met zijn drie staan we klokslag 18.00 uur klaar voor de ‘zeevonk’ tour. Het is tot mijn verbazing weer José die ons komt ophalen; alsof er geen andere gidsen bestaan op dit eiland! We lopen een beetje giechelend achter hem aan door de donker wordende jungle. We passeren andere eco lodges -een rekbaar begrip- en uiteindelijk komen we bij een rustige inham van de zee aan de andere kant van het eiland.

José pakt een kano die wel een likje verf kan gebruiken. Hoe harder een van de dames loopt te sputteren, hoe leuker ik het vind worden. Het werkt enorm op mijn lachspieren of zouden het de zenuwen zijn? Ik moet op een houten blokje zitten voorin de kano, de dames in het midden naast elkaar en Jose peddelt zich achterin een slag in de rondte. Steeds stiller worden we als hij ons over de maanverlichte zee naar een ponton aan het mangrove bos brengt.

We stappen uit op het ponton. Het is inmiddels goed donker. José geeft ons een duikbril en legt uit de we onder het ponton door moeten zwemmen. Really? Is dit een grap? Ik doe als eerste mijn kleren uit en ga in bikini het trapje af. Met de duikbril half op mijn hoofd moet ik bijna met mijn hoofd onder water om onder het ponton te komen. L. komt achter mij aan en J. wacht bovenop het ponton even de eerste recensies af.

L. en ik zwemmen twintig meter onder het ponton door om -werkelijk waar- geen enkel stukje plankton te zien oplichten. Ik beweeg nog vol ongeloof met mijn hand door het water -je ziet het alleen als je het water beweegt- en met veel moeite ontwaren L en ik één klein vonkje. Wat een deceptie. Wat een dooie mus. J. Is blij dat ze niet uit de kleren hoeft en José staat er wat bedremmeld bij. ‘No plankton?’ ‘Nee, no plankton’. De volgende kano’s komen er alweer aan en ik kan het niet laten om te zeggen dat de hoeveelheid zeevonk bij ons een tikje tegen viel. Goedgemutst springen de volgende toeristen in het water.

Ook een ‘uitwas’ van het toerisme is dat er excursies ontstaan rond zaken die niets om het lijf hebben. Als je iets wilt verkopen, maar je hebt eigenlijk niks, dan verkoop je dus een toertje gebakken lucht. Het is: u vraagt, wij draaien. José geeft ons nog wel sportief een ‘no plankton’-korting. Wij drinken er een biertje op en hebben toch een hele leuke avond.

Ps. De dames weten nu nog niet dat de terugweg van het eiland met de speedboot een regelrechte hel is; met een keihard bonkende boot op de golven en gillende en drijfnatte mensen aan boord. Sssst. Maar het is mijn eigen schuld; ik wilde avontuur.

zaterdag 8 februari 2025

Cartagena en de markt

Cartagena is prachtig. Het is de meest bezochte stad van Colombia en dat is met een reden. De gebouwen uit de koloniale tijd staan er goed onderhouden bij. De verf op de muren van het hele historische binnenstad is vrolijk; alles is kleurrijk, je kunt er heerlijk eten en in de twee dagen dat ik hier verblijf zie ik maar liefst twee bruiloften.

De eerste nacht krijg ik al veel mee van de levendigheid van Cartagena omdat ze bedacht hebben om op het binnenpleintje naast mijn hotelkamer een groot podium te bouwen waar de hele nacht door keiharde live muziek door de speakers schalt. Ik ben zo moe dat ik er grotendeels doorheen slaap.

De volgende ochtend ben ik dan ook fris en fruitig als om 6 uur in de ochtend de zon opkomt. Ik zit nog in mijn Nederlandse ritme. Ik begin met vogels spotten op het dak en ik doe meteen een rondje oude binnenstad waar alle gebouwen -zo zonder mensen op straat - in hun volle glorie te bewonderen zijn. De scholen beginnen hier om 06:30 uur, maar verder komt de stad slechts traag op gang.

Hoewel het logisch is dat een mooie stad bezoekers trekt, heb ik toch moeite met de ‘uitwassen’ die dit met zich meebrengt. Koetsjes die door de stad rijden vind ik toch al een grensgeval. Straatartiesten verdringen zich om plekjes bij de terrassen. Als een Colombiaanse sexy gaat buikdansen voor een groot terras -hoe niet-Colombiaans wil je het hebben- is bij mij de limiet van wat draaglijk is wel bereikt. Als je mocht kiezen, denk ik dan, ging je hier niet staan dansen voor rijke mensen. De straatverkopers- en artiesten -en natuurlijk de bekende fruitverkoopsters met de schalen fruit op het hoofd- worden omhelsd als symbool van Cartagena. Met de laatste neem ik ook een foto en wanneer hiphoppers ter plekke een knappe rap verzinnen voor een oudere Amerikaan, vind ik het wel weer grappig. Maar het is duidelijk dat het voor veel mensen nodig is een graantje mee te pikken van volle portemonnees in deze stad.

Dat gezegd hebbend, vind ik de eerste dag alles mooi en kleurrijk en vrolijk en neem ik eindeloos veel foto’s. De tweede dag kom ik er maar moeilijk in. Ik besluit het ‘toeristen reservaat’ -wat het oude centrum is- te verlaten. Mijn ‘Rough Guide’ heeft nog een tip voor mensen die het ‘echte’ Colombia willen zien; de Bazurto markt. Een van de grootste markten ter wereld, waar je werkelijk alles wat je kunt bedenken schijnt te kunnen kopen.

Ik vlag een gele taxi en de chauffeur rijdt me 3 km verder het echte Colombia binnen. Het lijkt precies op delen van Afrika die ik ken. Heel veel stof, vage winkels aan de kant van de weg en mensen in minder sjieke kleren die lang de weg lopen. De chauffeur wil natuurlijk weten of ik alleen ben en bij de vraag of ik kinderen heb, zeg ik maar ‘eentje’, om niet helemaal losgeslagen over te komen. Hij zegt drie keer dat ik goed op mijn spullen moet letten op de markt.

We zijn allang de hoofdingang gepasseerd als we nog steeds stapvoets langs de kraampjes rijden. Na een tijdje realiseer ik me dat hij niet bezig is een goed stop plekje te zoeken, maar dat hij gewoon niet van plan is me hier uit te laten. Ik denk uit vaderlijke bezorgdheid, maar zeker weten doe ik het niet. Hij is eigenhandig een soort safari, waarbij ik de markt van achter een autoraampje dien te bezichtigen, begonnen. Ja dag!! Ik zeg in mijn zeer slechte Spaans dat ie hier wel kan stoppen, ik betaal en stap resoluut uit.

De markt is zoals ik er al heel wat heb gezien in Afrika en Azië. Godvergeten smerig. Het ruikt naar een bekende mix van afval, vis, kruiden en hitte. Het is meer een soort vuilnisbelt, van waaruit er weer kraampjes ontstaan. Ik arriveer duidelijk bij het scheiden van de markt. Hier een daar nog kramen met vis, nog wat groenten en dan verplaats ik me naar de eindeloze hallen met nog meer kramen; die met keukengerei van plastic en goedkoop metaal vind ik het leukst. Hoe dieper ik doordring in het labyrint van stalletjes hoe stiller het wordt. In de vleeshal is alles opgeruimd en ligt er een oude man, bloot op zijn korte broek na, te slapen op de plek waar vanochtend nog kadavers lagen. Ik probeer naar iedereen vriendelijk te lachen ‘goed volk’, maar het is duidelijk dat ik de weg niet ken. In een hoek van de hallen koken dames in grote zwarte potten op hoog vuur pruttelende sauzen waar ik viskoppen uit zie steken. Ze willen dat ik kom eten, maar dat sla ik toch even over. De sfeer is van onverschillig en neutraal op sommige plekken nu eerder wat grimmig aan het worden. Dat is mijn cue om de rand van de markt op te zoeken. Bij een fruitkraam heb ik een leuk gesprek zonder noemenswaardig Spaans met een aardige verkoper, bij wie ik van elk stuk fruit er eentje koop. Ga ik straks ontdekken in het hotel hoe ze smaken.

Terwijl de pelikanen zich tegoed doen aan het marktafval om me heen probeer ik in de brandende zon een taxi te krijgen. Niemand stopt. Ik krijg de tip om door te lopen naar winkelcentrum. Vanuit het vuil loop ik een van de blinkenste winkelcentra in die je je kunt voorstellen. De airco staat er vol aan en er staan nieuwe auto’s met linten eromheen als kadootjes te blinken op de wandelpaden. In de waanzinnig luxe supermarkt zie ik 50 soorten olijfolie. Ik ondervind aan den lijve hoe arm en rijk letterlijk naast elkaar kunnen bestaan.

Ik voel me weer een beetje underdressed hier, maar mijn rode hoofd koelt lekker af en ik heb weer bereik. Ik maak maar gauw gebruik van de mogelijkheid om ‘vertrouwd’ een Uber op te roepen. De stevige chauffeur kijk ik recht in zijn algoritme als hij op zijn telefoontje naast zijn stuur afwisselend kookprogramma’s en afslanktips kijkt. Hij heeft heerlijke Salsa muziek opstaan als hij me veilig terug rijdt naar mijn toeristenreservaat.

vrijdag 7 februari 2025

Bogota en de bril

Het vliegtuig vanuit Amsterdam maakt een tussenlanding in Bogota. Naast mij zit D. uit Utrecht. Hij is 23, heeft een bos rode krullen en zijn moeder is Sjamaan. D. gaat drie maanden reizen in Colombia en Brazilië, ik zeven weken in Colombia en Ecuador. We schelen 30 jaar, maar ik zie ook overeenkomsten; we hebben allebei geen uitgewerkt reisplan, spreken nauwelijks Spaans en onze moeders hadden liever gehad dat we thuis bleven.

Naast ons zit een Colombiaan van rond de 25. Hij studeert in Berlijn en gaat voor het eerst in twee jaar zijn ouders in Cali bezoeken. Hij heeft zijn kleine zusje al twee jaar niet gezien. Zijn kleding en onberispelijke Engels ‘ademen’ Europa. Hij heeft zich getransformeerd. Hij drinkt dure koffie in Prenzlauerberg. Hoe zal de reünie zijn met zijn ouders? Hoe overbrugt hij deze oceaan?

D. gaat er hier in Bogota uit, ik vlieg door naar Cartagena. We zwaaien uitgebreid. Dan wordt er omgeroepen dat iedereen toch echt uit het vliegtuig moet, ook al vlieg je dadelijk door naar Cartagena. Dat was nog niet echt duidelijk gecommuniceerd. Ik hark al mijn spullen onder mijn stoel bij elkaar -schoenen, Volkskrant Magazines, kussentjes, koptelefoons- en prop het snel in mijn tas. Ik kom weliswaar terug op dezelfde stoel, maar alles moet naar buiten. Ik wil mijn bril opzetten, maar ik zie hem nergens. Kijk in de stoelvakken, op de grond, in mijn stoel. Nergens. Ik krijg het warm. Ik had hem toch met een pootje om het stoelvak gehangen?

Het vliegtuig is inmiddels leeg. De overgebleven KLM stewardessen in het frisse blauw dralen zo’n beetje om me heen. Ik stal al mijn spullen uit op dat plekje voor de WC’s, waar iets meer ruimte is. Systematisch onderzoek ik elke tas. Rustig blijven nu. Niks. Geen bril. Ik stuif weer terug naar mijn stoel. Steeds wilder worden mijn bewegingen. Plastic zakken met dekens en kussen vliegen door de lucht. Ik lig op de grond onder de stoelen voor zover dat gaat. WAAR IS DIE BRIL? ‘Hoe ziet de bril er precies uit?’ vraagt de stewardess. Ook zij -de schat- gaat door de knieën. Ze kijkt een beetje moedeloos naar de grond.

Er komt een leger van Colombiaanse schoonmaaksters het vliegtuig binnen. Grote vuilniszakken boven hun hoofd houdend. Ze werken systematisch van achter naar voor, als een leger sprinkhanen die een veld leeg plunderen. Ze lachen vriendelijk naar me. Ik weet het Spaanse woord voor bril niet, maar maak een gebaar van een bril en ze knikken vriendelijk dat ze er naar uit zullen kijken.

Ze zijn te servicegericht om het te zeggen, maar ik zie het in de ogen van de stewardessen; ik moet er nu toch echt uit. Met een verhoogde hartslag verlaat ik het vliegtuig. Nog niet eens op de eindbestemming en ik ben al een essentieel onderdeel van mijn bagage kwijt! Hoe krijg ik het voor mekaar!

Iedereen is verdwenen. Ik sta in een totaal lege vleugel van het vliegveld van Bogota. Op de WC’s is een schoonmaakploeg bezig die me vreemd aankijken omdat ze dachten dat iedereen al weg was. Waar moet ik naartoe? Moet ik opnieuw inchecken? Ik heb werkelijk geen idee.

Op goed geluk neem ik een roltrap. Ik kom in een hal. Mensen gaan door een bagage-check. Gevoelsmatig wil ik bij het vliegtuig blijven, als de dood dat ik mijn aansluiting mis. Iemand in een hesje zegt dat ik niet meer terug mag de roltrap op. Bagage-check dan maar. Tas wordt eruit gepikt; er zit water in. Ik mag door.

Er hangen borden met vertrektijden, maar ik kan ze niet lezen. Ik ben mijn bril kwijt. Heel vaag zie ik dat Cartagena er niet op staat. Ik vraag een beambte naar het vliegtuig naar Cartagena. Ze spreekt geen Engels en wuift vaag met haar hand. Een man die eruit ziet als een piloot stapt op mij af; hoe hij me kan helpen. Hij heeft wel een bril en kijkt mee op de borden. Hij vermoed dat de eindbestemming Amsterdam er wel op zal staan. Hij heeft gelijk. Nu weet ik welke gate ik moet hebben. Ik zie al bekende gezichten. Opgelucht sluit ik me aan in de rij.

Ik pak mijn paspoort uit mijn schoudertasje en zie opnieuw de brillenkoker. Er gaat mij ineens iets dagen. Van binnen begint iets te kriebelen. Ik klap hem open…..en ja hoor, daar ligt ie gewoon. Mijn bril. Ik zet hem op mijn neus.

Het duurt een tijdje voordat mijn hartslag weer is genormaliseerd. Ik stap het vliegtuig weer in. Tegen de stewardessen zeg ik dat ik hem heb gevonden, maar dat ik niet durf te zeggen waar.

woensdag 30 april 2014

Wijsjes, editie 19.

Het is Pasen. Het is zonnig en heet. We zijn in Oost en wel in de Bankastraat. Op de tafel Paasschuimpjes; wie wist dat die bestonden? Het publiek schuift nog wat onwennig langs elkaar als twee dichters, waaronder onze gastheer, de spits afbijten. Hein-Jaap dicht over zon, haring, zout en klei en over dat op feestdagen alles naar feest smaakt. De inspiratie komt voor Markus, de tweede dichter en tevens gastheer, uit het hoge Noorden. Marcus: ‘Ik kam met spijkers mijn ijzerhaar’.

Om half zeven precies is in Antwerpen vanochtend Craig Sutton opgestaan, also known as the Flamenco Thief, om voor ons het 48e optreden in zijn Europese tour van 159 optredens te verzorgen. Zijn energieke muziek bestaat uit verschillende Flamenco elementen die met samples over elkaar heen worden gelegd, waardoor een zonnig palet aan opzwepende klanken ontstaat. Latin America on a rainy day. Warmte ontstaan in de kou van winderig zuid Engeland, waar Craig woont en postbode is. De enige andere postbode in ons gezelschap krijgt dan ook een hommage. Terecht. Terwijl de treinen op de achtergrond passeren, reageert de versterker van Craig op de wasmachine van de bovenburen. Hoe ‘wijsjes’ wil je het hebben.

De volgende pleisterplek is een tuin - wat heerlijk een tuin- dicht bij de Molukkenstraat. Terwijl het publiek zich, innig tevreden met het zojuist aangereikte perenijsje, nestelt tussen de varens, komt de volgende artieste tevoorschijn uit de schuur. Eva Hoogland zingt, gekleed in stemmig roomwit, Turkse liederen, zichzelf begeleidend op de saz. In Eva woont duidelijk hoorbaar een oude melancholische Turkse vrouw. De buurvrouw in de aangrenzende tuin leest ondertussen stoïcijns in haar onderbroek de krant. Ze trekt haar shirtje ook nog uit. Wat nou pottenkijkers. Onze gastheer speelt intussen met vaderlief een portie bluegrass, over railroadtracks en een beetje janken op de stemmige banjoklanken. Daarna mag iedereen de schuur in voor improvisaties van Oscar Jan met melkopschuimers en een piano, die dan weer klinkt als een gitaar. De schuurmachine van de bovenburen gaat prima samen met deze muziek. Stanley Hoogland speelt nog een nocturne op piano in de schuur, terwijl in de tuin de eerste biertjes opengaan.

Via het gebied rond de Polderweg komen we aan in de Transvaalbuurt waar het eindelijk tijd is voor de traditionele jenever en augurk. We moeten de zon tijdelijk gedag zeggen om af te dalen in een ‘man cave’, waar de band Ensor, vernoemd naar een Vlaamse dichter, een akoestische sessie doet. Kiki, het enige kind in het publiek, zit alweer op de schoot van een ‘vreemde’ mevrouw en een dame uit het publiek heeft zich heerlijk genesteld op het bed achter het podium.

De laatste locatie van vandaag is op het Beukenplein. Alleen……niemand weet het huisnummer. Na 20 minuten zwaait de deur dan toch open en blijkt er een heus hartige taarten buffet voor ons klaar te staan. Terwijl de jongetjes op de galerij beneden voetballen, smullen wij van het eten met onze gezichten in de allerlaatste zon. In de goot stroomt een omgevallen glas rode wijn.

Naar binnen voor het allerlaatste optreden van Head Relax Man, waarbij Tineke Vroegop (met stropdas!) en Wim Elzinga (Hey, where did we see this guy before?) nog even alles op alles zetten. Terwijl Tineke zich afvraagt of haar gitaar wel is aangesloten, speelt Wim nog maar eens een heerlijke ukele solo.

Het was weer mooi. En mooi weer ook. Het was weer wijsjes. En dat al voor de 19e keer.

maandag 11 maart 2013

London calling



Het was natuurlijk al verdacht dat het mijn vaste telefoon was die overging. Dan is het óf mijn moeder óf een krant die mij –ondanks mijn plek in het ‘bel-me-niet-register’- een abonnement wil aansmeren.

Dit keer was het een buitenlands nummer. Even dacht ik nog: het is vast mijn broer uit Australië. Blijkbaar ben ik jarig. Het bleek echter te gaan om een jongeman met een Indiaas accent, die belde vanuit een telefooncentrale in Londen. Zijn accent maakte het meteen heel kosmopolitisch allemaal. Ik dacht dat de jongen mij een Poolse bruid wilde aansmeren, maar hij bleek zich zorgen te maken over mijn computer. De jongen zei te werken voor een partner van Microsoft en Microsoft had de afgelopen week wel drie keer een melding ontvangen dat het niet goed ging met mijn computer. Tot zover heel raar natuurlijk, want sinds wanneer belt een bedrijf jou om service te verlenen? Meestal moet je daarvoor toch minstens uren in de wachtstand staan bij een telefonische helpdesk.

Ik wilde het aanbod van de jongen, om de ‘errors’ in mijn computer samen met hem te verifiëren, al resoluut afslaan, toen mij ineens te binnen schoot dat mijn scherm enkele dagen geleden vanuit het niets op zwart was gesprongen. De icoontjes op mijn bureaublad waren toen een akelig lange tijd weggebleven. Ik had doodsangsten uitgestaan. En uit angst maak je soms verkeerde vrienden.

Dus ging ik braaf achter de computer zitten, waar mijn nieuwe Indiase vriend mij bij de digitale hand nam en samen onderzochten we de staat van mijn desktop. Hij had echt geen dag later moeten bellen! Uit het aantal besmette bestanden (7.500!!) en de uitslag van de risico-analyse (98% crash kans) schatte Dr. India de kans dat mijn computer het einde van de week zou halen zeer laag in. Na 55 minuten telefoneren (ik verzin dit niet), beloofde hij mij uit de brand te helpen door een passend software pakket te installeren. Ik moest het alleen nog wel even kopen voor 120 euro. Of ik het even wilde aanvinken op mijn beeldscherm.

Toen ik niet het gewenste vinkje vinkte en aangaf daar liever nog even over na te willen denken werd mijn nieuwe vriend toch wat dwingender. Ik werd als moeilijke klant doorgeschakeld naar de baas. De baas en ik klikte niet erg; hij werd best wel een beetje boos over mijn hardnekkig weigeren. Hij klonk ook verdrietig over het droeve lot dat mijn computer nu te wachten stond. Maar het kan ook ergernis over de 55 ‘wasted’ minuten van zijn collega geweest zijn.

En toch zat de schrik erin. De bewijzen op het beeldscherm van mijn computer hadden er authentiek uitgezien en correspondeerde met de bijna-dood-ervaring die ik met mijn computer had beleefd.

Mijn computerwinkel hielp me uit de boze droom. Het waren cyber schurken, wis en waarachtig. Op internet vond ik inderdaad talloze verhalen over het bedrijfje van ‘mijn’ schurken, waarbij de helft van de mensen jammerde dat ze nog een softwarepakket hadden aangeschaft ook.

Van de week ging weer de telefoon. Het was noch mijn moeder, noch een krant. Ik herkende het nummer van mijn schurkenvrienden weer, vast nieuwsgierig of ik mijn bedenktijd over hun product goed had benut. Ik gilde ‘Bel Me Niet!’ in de richting van de telefoon en zette de muziek wat harder.

Ik was veranderd sinds ons laatste gesprek. Ik was een gewaarschuwd mens. Jij nu gelukkig ook.

woensdag 28 november 2012

Hans




Als je soms jaren moet zoeken naar een baantje, zoals in Namibië, wordt je vanzelf inventief. In het enige ‘internetcafé’ van Lüderitz -waar twee zeer traag werkende computers wachten op klanten- staat een jongen met een schroevendraaier een computer uit elkaar te halen. Als de baas weg gaat en ik wacht tot mijn foto’s zijn ingeladen, bekent hij lachend dat hij eigenlijk geen enkele ervaring heeft met computers. Hij zocht al vier jaar naar een baan en zijn baas zocht al een tijdje naar iemand met verstand van computers. Dus staat hij nu al schroevend te doen alsof. Een baan is een baan. Als je in Zuid-Afrika of Namibië gaat tanken, staan er minstens acht pompbediendes voor je klaar. Eentje kan je maar helpen met tanken, de rest hangt vaak half slapend tegen de bezinepomp. Een baan is een baan.

In Aus, een nederzetting midden in de woestijn met één hotel en één bezinepomp, komt een jongen mij in de enige -doodstille- straat tegemoet lopen. Hij draagt een vieze muts in Reggae kleuren en heeft scheuren in zijn broek. Na het standaard ‘How are you?’ volgt ‘What’s your name?’ Ik besluit gewoon maar eens mijn echte naam te noemen: ‘Chris’. ‘I am Thomas’ zeg ie, ‘See you later!’. Even later loop ik hem weer tegen het lijf. In een noot van de vrucht van de Marula boom heeft hij met een mesje dieren uitgesneden en warempel, ook mijn naam! Hij wil het balletje aan me verkopen en met mijn naam voelt het natuurlijk al half van mij. Wat een slimmerik! Ik zwicht voor zijn uitgekookte ondernemerschap en koop, na een straf onderhandelingsproces, het balletje.

Het is twee weken later als ik me weer stoot aan dezelfde steen. In Khorixas stellen twee mannen zich aan mij voor als ‘artists’ (dit ken ik uit west-africa en is geen enkele garantie voor enige artistieke talenten…). ‘Where is your husband?’, willen ook zij weten. ‘At home’ zeg ik dan altijd maar voor het gemak. ‘Why didn’t he come?’ ‘Work’ zeg ik dan altijd maar voor het gemak. ‘What’s his name?’ Oei, die had ik nog niet gehad. ‘Eh….Hans’, zeg ik stroef improviserend. Het blijkt de naam van een van de mannen te zijn, blijkbaar onbewust opgeslagen en gereproduceerd. Beetje suf en verdacht ook wel.

Ik ben mijn leugentje alweer vergeten als ze tien minuten later weer voor me staan. Met twee gekerfde balletjes, één voor Chris en één voor Hans. Ze hebben me flink te grazen! Hoe kan ik verklaren dat ik voor mijn –imaginaire- echtgenoot niet eens een gekerfd balletje over heb? (My wife went to Namibia and all I got is this lousy ball!)

Ik geef het op en koop beide balletjes. Heb ik geen Hans, maar wel mooi zijn balletje.

maandag 5 november 2012

Crocodile Dundee




Gisteren net zo´n hoed gekocht als Crocodile Dundee. Sindsdien lijken mijn bush overlevingstechnieken sterk verbeterd. Het lijkt verdorie wel of ik Crocodile Dundee ben!

De tijden dat ik in Australië, half opgevreten door de muggen uitriep: ‘ik haat kamperen!’ liggen blijkbaar ver achter me. Ik laveer mij moeiteloos door dit woestijnland en vecht dapper tegen de elementen. Het is hier vanaf 7 uur ’s ochtends in de zon al niet meer te harden en gisteren liep ik om 18.00 ’s avonds uur nog te zweten, toen ik mij door het woud van kokerbomen slingerde. Het gevoel dat je in een oven loopt, met knallende koppijn tot gevolg. Ik meende ook echt sisgeluiden te horen toen ik bij terugkomst op de camping in het postzegelgrote zwembadje sprong. In Namibië blijkt het welgeteld een uur na zonsopgang en een uur daarvoor aangenaam weer te zijn. Toch twee uur per dag; lucky bastards.

Deze twee uur behoeven echter nuance, want toen ik gisteren tijdens het laatste uurtje eens flink op zijn Crocodile Dundees wilde gaan kokkerellen - dus op de barbecue, maar dan vegetarisch- brak de hel los. Een storm raasde over de het stoffige land. Snel bracht ik mijn keukenuitrusting in veiligheid. Ik parkeerde de auto zodanig dat hij de meeste wind blokkeerde en ik zette mijn tent, verstevigd met stenen, precies naast de auto in de luwte op. Een flink staaltje Dundiness! Toen ik net een windvrije keuken had gecreëerd, bleek mijn gasaansteker leeg. Geen nood; ik heb het blikje mediterrane groenten gewoon koud opgelepeld. Zeker een aanrader!

Toen ik ook de reuzenmieren, de wespen en de torren ter grootte van een luciferdoosje vriendelijk had verwelkomd, net als de hagedis op het toilet, wist het zeker: het gaat helemaal goed komen met mij en de bush.

Ps.
Wordt vast en zeker vervolgd……geheel volgens manische principes zal op deze euforische vlaag vast en zeker een depressie volgen. Zeker als ik die hoed straks ga verliezen.