donderdag 14 juli 2011

Zoete dromen


Het is half 11 ’s avonds en ik fiets met mijn thermo-ondergoed in een plastic tas naar een theatervoorstelling ergens in een bos. Het is Oerol en ik ben op Terschelling. Deze voorstelling van Alexandra Broeder zal de hele nacht duren en ik ben alleen, dat wil zeggen, samen met 49 andere gelukkigen die dit –al dagenlang uitverkochte- avontuur willen aangaan. De sfeer op de verzamelplaats is licht gespannen. We hebben ’s middags al een speciaal telefoonnummer moeten bellen met extra instructies over kleding en het bericht dat de voorstelling misschien wel tot 07.00 uur in de ochtend kan gaan duren; het klinkt allemaal erg bedreigend. Daarbij belooft de foto in het Oerol-programma bij deze voorstelling ook niet veel goeds; twee serieus kijkende meisje houden een dooie hond omhoog. De voorstelling heet dan wel weer ‘Sweet Dreams’; dus wie weet kan het toch nog goed komen.

Onze groep zet zich in beweging over het zandpad en na een tijdje slaan we af richting bos. Recht in de armen van een meisje van een jaar of twaalf met vlechten, die met ijle stem ‘Schipper mag ik over varen’ zingt. Ze kijkt ons allemaal doordringend aan (dat zal de rest van de nacht niet anders zijn) en gebiedt ons in tweetallen te lopen, naast iemand die we niet kennen. Dat werkt. Als zwijgend leger marcheren we voort. Het meisje met de vlechten brengt ons naar een open tent in het bos, waar nog meer kinderen met maskers op en boven hun hoofd op ons wachten. Op de stoelen, waarop we moeten plaatsnemen, ligt een washand met een nummer. Ik ben nummer 46. We worden gesommeerd ons om te kleden in onze meegenomen nachtkleding. Het publiek doet dat gedwee en zonder melig gegiechel. De kinderen komen onze horloges afdoen en we moeten onze mobieltjes inleveren. Dan worden één voor één onze nummers opgelezen. De volwassenen moeten zich melden bij de vlechtjes achter de tafel. Ik heb een oorlogs-associatie. “Naam?” vraagt zij. Met kleine stemmetjes noemen de volwassenen hun naam. ‘Peter’…..’Annelies’. Amper een half uur na aanvang van de voorstelling zijn de grote mensen klein en de kleine mensen groot geworden.

Ieder kind begeleidt zes volwassenen naar hun bed in het bos. Het ziet er prachtig uit; vijftig bedden verspreid door een heuvelachtig bos, met aan ieders hoofdeinde een soort stalen dierenkooi, met daarin een lichtje. Ook het bos is prachtig uitgelicht. Wat een decor. Mijn begeleidster van een jaar of tien brengt me naar bed 46. Ze doet mijn schoenen uit. Dan gaat ze naar nummer 47 en verder. Dan vraagt ze wie ik deze nacht het liefste in gedachten naast mijn bed wil. Dan gaat ze naar 47 en verder. Ze stopt me onder de dekens en fluistert of ik bang ben voor de dood. Mijn begeleidster kijkt me al die tijd doordringend aan, langer en vaker dan prettig. Ze verrekt ondertussen geen spier. Bloedserieus zijn ze, de spelers en komen, ook al zijn ze 10, niet in de buurt van het uit hun rol vallen. Door de speakers klinkt bijzondere muziek met een banjo. Een meisje vertelt ons via de speakers dat we deze nacht op reis gaan en dat we, als we wakker worden, alle vragen moeten beantwoorden in het reisdagboek dat bij ons hoofdeinde ligt. Ik schuif het parapluutje uit boven mijn hoofd en dommel langzaam weg op de geluiden uit het bos.

Als het alweer een beetje licht wordt klinkt er een raar hoog stemmetje uit het bos: ‘Wakker worden, wakker worden…” Om me heen zie ik slaperige hoofden uit de bedden steken. Van de stem moeten we ons dagboek gaan bijwerken. Alle slaperige hoofden krabbelen braaf in hun schriftje. ‘Hoeveel vrienden heb je?’ ‘Noem eens drie herinneringen uit je leven?’ ‘Schrijf een afscheidsbrief aan degene die vannacht aan je bed zat’. Onze begeleiders, de kinderen (ze zien er niet moe uit!), komen ons uit bed halen en brengen ons, alles wederom uiterst traag en gedisciplineerd, terug naar de tent. Daar wacht ons, aan lange tafels, een ontbijt van karnemelk en stukjes maiskolf. Op tafel staan opgezette vogels. De sfeer is nog steeds vervreemdend en het publiek beduusd. Nadat we onze eigendommen hebben teruggekregen, sommeren de kinderen ons weg te gaan.

Het past niet om onze ‘(bege)leiders’, die in het echt acteurs zijn, ineens een applaus te geven. Het zou de betovering verbreken. In stilte lopen we weg door het bos. Wazig en met één been nog in de droomwereld. Maar wat een helden, die kinderen! Ze blijken ook nog van het eiland zelf te komen! Op de fiets in het prille ochtendlicht, op weg naar de tent, geef ik hen in gedachten een staande ovatie.

Geen opmerkingen: