woensdag 19 februari 2025

Tayrona, de speakers en de jungle

Het National Park is nog steeds gesloten vanwege de ‘zuiverings rituelen’ van de Inheemse bevolking, maar ik verblijf twee dagen aan de rand van het park, om er morgen als de kippen bij te zijn als het park weer opengaat. Mijn standplaats is het dorpje Calabazo, waar een van de ingangen van het park zich bevindt.

Als ik uit de bus stap in Calabazo schalt de keiharde accordeon muziek al uit de speakers. Dreunende bassen blazen je omver. Dit blijkt meteen de beste kennismaking met het dorp, want dit zal twee dagen zo blijven. Gekmakende, OORVERDOVENDE muziek, de hele dag en bijna de hele nacht door.

In de hoteleigenaar tref ik eindelijk iemand die goed Engels spreekt. Dat mis ik soms wel in Colombia; je komt dan zoveel meer te weten! Hij weet mij op zondagochtend te vertellen- na een nacht wakker liggen van het gedreun uit het dorp- dat het misschien wel zo klonk, maar dat er helemaal geen groot feest was. Ik overwoog zelfs nog om 03.00 uur 's nachts maar eens te gaan kijken hoe dat feest er dan uit zou zien. De hoteleigenaar helpt me uit de droom; als ik zou zijn gaan kijken had ik maar drie mensen op plastic stoeltjes aangetroffen.

Sommige cafe’s in het dorp worden gerund door guerilla’s en zij zijn niet bereid om de volumeknop omlaag te draaien. Hoezeer de hoteleigenaar ook probeert aan te geven ‘your killing our business’, de guerilla’s hebben er geen boodschap aan. Ook niet na bemiddeling van de burgemeester. Ik word op 500 meter afstand al gek, laat staan dat je ernaast woont! Dag in, dag uit. Hij vertelt dat er oude en zieke mensen zijn in het dorp (of mensen met jonge kinderen) die echt wanhopig worden. Het lijkt op het treiteren van het volk. Het legt in elk geval veel bloot over de machtsverhoudingen in dit -en naar ik vermoed nog veel meer - delen van Colombia. Behalve een politiecontrole in de bus, heb ik nog helemaal niets van de guerilla's gemerkt. Ik vind het vooral zo intrigerend dat iedereen overdag doet alsof die heksenketel van vaak twee speakers tegenover elkaar heel normaal is; ik vermoed dat iedereen half doof is.

Het kerkgezang deze zondagochtend lokt me meer en even mag ik binnen meekijken in de ‘kerk’: een kale hal met 100 plastic stoeltjes en een podium met een band. Alweer veel live muziek, veel gekwelde gezichten, veel mooie zondagse jurken (ik ben zelfs ook op mijn zondags, met mijn gele jurkje). Ik vermoed dat het een evangelische kerk is en het zou me niet verbazen als hier straks wat kwade geesten worden uitgedreven. Ik wacht dat niet af.

In de middag begin ik tamelijk onvoorbereid en veel te laat natuurlijk aan een hike in het National Park. Het gaat bergopwaarts, ik loop rood aan in de hitte en realiseer me dat ik niet teveel moet forceren. Ik zie ‘sterretjes’ en mijn lijf is nooit goed geweest is warmte afvoeren. Brommertjes brengen je gelukkig -tegen betaling- het eerste stuk de berg op.

Zo loop ik uiteindelijk helemaal alleen in een van de belangrijkste ecosystemen van Caribisch Colombia; de jungle van Tayrona. De jungle verdicht zich hier en je bent alleen met de natuur. In de verte hoor ik het oprecht dreigende geluid van de ‘howling monkeys’. Er loopt -getuige een informatiebord- ook nog ergens een jaguar rond. Hmmm, al met al best spannend. Ik heb lol in het nadenken over wie dit soort dingen echt helemaal niet zou trekken.

Bijzonder vind ik het om een paar Kogi indanen, het hengsel van hun tas over hun voorhoofd, tegen te komen onderweg: ik ben te gast in hun natuurlijke habitat. Ergens verscholen in de jungle is hun 'pueblito', die de laatste jaren verboden terrein is voor toeristen. Ik hoor vogels die de app Merlin niet herkent. Ik zie een prachtige 'Kingfisher' op een tak. Er zijn hier zoveel diersoorten te ontdekken! Ik krijg dan altijd fantasieen over hoe het zou zijn om hier een natuur documentaire op te nemen. Is dat een droombaan of een nachtmerrie als je 12 nachten ligt te wachten tot die verdomde jaguar een keertje langskomt?

Het lopen blijft zwaar en als ik van twee reizigers hoor dat het strand nog één uur lopen is, weet ik dat ik op safe moet spelen en terug moet gaan. Als ik mijn enkel zou verzwikken heb ik een serieus probleem hier. Het laatste stuk neem ik een brommer-taxi, gesterkt door een heel fit jong stel, die ook niet weten hoe snel ze een brommer moeten regelen. Wat zou ik me dan nog lopen uitsloven! Ik heb toch even mooi kunnen proeven van de jungle met zijn geluiden en de stilte, voordat ik weer op de -inmiddels vertrouwde - muur van geluid in Calabazo stuit.

Camarones en de Flamingo’s

Ik ben tijd aan het rekken omdat het Nationaal Park Tayrona nog steeds niet open is. Het wordt door de inheemse bevolking ‘gezuiverd’ van de kwade invloeden van het toerisme elke eerste twee weken van februari. Hier kan ik als antropoloog natuurlijk niet op tegen zijn, maar logistiek is het als reiziger even een dingetje.

Van andere reizigers krijg ik een tip over Flamingo’s in Camarones en hup, daar zit ik alweer drie uur in de bus naar het dorpje dat weinig toeristen trekt en half in de woestijn ligt. Beetje jammer dat het zo weinig toeristisch is dat de buschauffeur er dan ook vergeet te stoppen. Met dank aan Google Maps en het geluk dat ik niet in slaap ben gevallen, sta ik dan toch 2 km buiten het dorp aan de weg in de woestijn. Het doet me denken aan een scene uit de film ‘Bagdad Cafe’. Twee vrouwen met koffers in een bloedhete, stoffige woestijn.

Het duurt hier nooit lang of je zit -inclusief te grote koffer- achterop een brommer die me naar het hostel aan dezelfde weg brengt. De dochter des huizes ontvangt me hartelijk, haar zussen en haar moeder lopen door de huiskamer: het is alsof ik even onderdeel uitmaakt van een Colombiaans gezin. Aan ‘papa’ vraag ik of ik zijn fiets mag lenen en voor het donker word verken ik het dorp, het ‘sanctuary’ en het strand. De ene helft van het dorp bestaat uit ‘Spanjaarden’ en de andere helft uit ‘Wayuu’ indianen. Het verschil tussen beide 'communities' is duidelijk te zien; de Wayuu zitten achterin het dorp met krakkemikkige huisjes van leem en een tikje armoedige omgeving. De rest van het dorp is van de 'Spanjaarden'; die hebben de muziek aan bij het lokale cafe en runnen een paar eenvoudige winkeltjes in het dorp van eigenlijk maar één straat.

‘Papa’ moet wel zijn fietsketting nodig smeren en zijn versnellingen afstellen, want ik fiets als een doortrappende idioot door het dorp. Dat vinden ook de honden die met me mee rennen en me bijna in mijn kuit bijten. Podverdorie, wegwezen! Maar man, wat is fietsen in de tropen toch fijn; het vertrouwde vervoersmiddel van thuis in een spannender omgeving en met de warme wind rond je lijf.

Rond half zeven in de ochtend komt Rafael, een jonge Wayuu-gids, me halen met de brommer. Hij zal mij naar de Flamingo’s brengen. ‘Papa’ zwaait ons uit en filmt ons: mega trots dat hij zo’n goedlopend toeristisch bedrijf runt! Rafael is een schat. Ik stap in een prachtige houten kano met een klein zeiltje en behendig loodst hij ons het meer over. De stilte en het kabbelende is zeer aangenaam op deze zaterdagochtend. Het laat ruimte voor wat gemijmer; wat zou ik thuis doen op zaterdag? Een dikke Volkskrant kopen en niet de tijd nemen om die helemaal uit te lezen.

Vogel technisch valt het me niet helemaal mee: we benaderen voorzichtig een groep van 50 Flamingo’s, maar ze blijven te ver om foto’s te maken. Door de kijker zie ik wel die zalmroze nekken en die gekke bogen in hun hals: in elk geval staan alle neuzen dezelfde kant op. Rafael leent af en toe mijn kijker omdat die van hem bij een vorige toer in het water is gevallen. Je zou zo’n jongen toch met liefde een nieuwe kijker gunnen. Met klapperende zeilen keren wij terug naar het dorp. Het water komt niet hoger dan je knieën.

Terug in het hostel krijgt Rafael een fooi voor een nieuwe kijker. ‘Papa’ is bezig met het granollen van een muurtje voor een nieuwe hotelkamer: hij ziet een gouden toekomst voor zich voor zijn hostel. Ik vraag me af of de Flamingo's genoeg zijn om de mensen naar zijn dorp te lokken. En ik hoop dat zijn dochter erbij blijft, want zij is de eigenlijke spil. In een handomdraai maakt zij een bord heerlijk eten voor je klaar. Gisteren mocht ik zelf de vis uit de vriezer aanwijzen die me het meeste aansprak. Haar zussen zitten nog steeds verveeld op hun telefoon, de moeder schuift moeizaam, want net geopereerd aan haar buik, door de kamer. 'Papa' geeft me ongevraagd nog wat 'informatie' over de vogels die ik in zijn tuin aan het bekijken ben door mijn kijker; hij is van alle markten thuis.

Ik lees nog wat in de hangmat voordat ik afscheid neem van dit sympathieke plekje. Ik loop 100 meter naar de grote weg door de woestijn en steek mijn hand omhoog. De grote bus stopt en slokt me op voor weer een volgend avontuur.

zondag 16 februari 2025

Minca en de Toekan

Minca is een klein dorpje in de bergen met een herkenbare, beetje hippie-achtige sfeer. Zo’n dorpje van een straat, waarbij de amandelmuffins en de Latte Macchiato hun intrede hebben gedaan. De groene bergen zijn de attractie, samen met de talloze watervallen. Ik kies mijn hostel op basis van het uitzicht; inderdaad met een terras dat ver uitkijkt over de bergen en waarbij je al aan je ontbijt kunt beginnen met vogels spotten.De Kolibrietjes komen af op hangende installaties met honing, terwijl jij de honing over je pannekoekje drappeert.

Bij sommige safari’s in Afrika draait het allemaal om ‘the big five’. Minca staat bekend als vogelparadijs en het hoogst haalbare is het spotten van de Toekan. Ik meld mij om 05:45 uur in de ochtend in het dorpje bij 'Jungle Joe' voor de vogeltour en dan heb ik er al twintig minuten lopen in het pikkedonker vanuit mijn hostel opzitten. In tegenstelling tot in Nederland kost vroeg opstaan me hier geen enkele moeite.

Naast vogels stikt het in Minca van de Nederlanders, dus ik word samen met een jong Amsterdams stel en een Brits stel ingedeeld in een groep met onze gids. We beginnen bij het begin; de app Merlin, waarmee je geluid kunt opnemen en dan rolt gelijk de vogel eruit die je vermoedelijk hoort. Kind kan de was doen, joh! Af en toe bedient de gids zich van een ‘no go’ voor de echte vogelaar; hij laat de app via een boxje in zijn tas vogelgeluiden produceren, waarmee je de vogels dus probeert te lokken. De Amsterdamse jongen is best ‘into’ vogels, blijkbaar mag je dat zijn als ‘coole’ gast en zijn vriendin word telkens misselijk als ze door de kijker kijkt. Ik laat haar af en toe door mijn eigen -zorgvuldig in Nederland uitgezochte - kijker kijken, want ik ben stiekem ook een beetje een vogelaar.

Op twee kilometer afstand is er iemand zo slim geweest om een vogelobservatie-post te bouwen op een adembenemende plek. We worden hier zachtjes heen geloodst, bestellen een slap Colombiaans koffietje en hebben boven veel te zien. Ze voeren de vogels met schalen fruit op redelijke afstand en daar komt de ene na de ander top vogels zijn ontbijtje nuttigen. Ik ben met name erg gecharmeerd van een dieprode vogel die op zijn snavel twee bijna fluorescerende streepjes heeft; je gelooft je ogen niet! Verder is er een turquoise blauwe knapperd bij en wachten we massaal tot een uiltje op een nest zijn koppie laat zien, maar daar heeft ie geen zin in vandaag.

De groene halsbandparkieten hier zijn net iets anders dan ‘onze’ Amsterdamse parkieten. En de gids vertelt ons hoezeer de mannetjes vogels zich moeten uitsloven om de aandacht te trekken van de vrouwtjesvogels, die er op het eerste gezicht misschien saaier uitzien, maar veel meer kleuren blijken te hebben dan wij mensen kunnen zien. Voila; need I say more.

Het is op de terugweg als er een van de gidsen druk begint te zwaaien met zijn armen, alle verschillende groepen spotters in zijn kielzog. Een privé-gids begint zelfs voor ons uit te rennen, want hij is gesignaleerd…de Toekan. Met zeven felle kleuren en ook nog eens symbool van een Nederlandse hotelketen -weet die arme vogel veel- zit hij daar te pronken. De gids is uitzinnig; wat een geluk hebben wij! Ik vermoed dat dit patroon zich iedere dag zo herhaald.

Ik word ook een tikje afgeleid door een woede uitbarsting van een toerist, wiens privé-gids voor haar uit is gesneld en die zich door hem erg in de steek gelaten voelt: ‘je laat je mensen toch niet achter! Je krijgt van mij geen ‘dinero!’. Ik vind het zielig voor de gids, die dacht speels op Toekan-jacht te zijn, maar daar dacht deze dame kennelijk anders over. Ik pak gelijk mijn rol als intermediair en met mijn vers verworven Spaans zeg ik: ‘Ella tiene otros problemas’. Geen idee wat verlatingsangst in het Spaans is. Zo, hebben we dat ook weer opgelost.

Ps. De vogelfoto’s zijn van internet; daar kan ik niet tegenop met mijn Iphoontje.

vrijdag 14 februari 2025

Santa Marta en de Kogi

Waar je in India een hartverzakking krijgt als een kruier je tas te pakken krijgt en je voortdurend het gevoel hebt op je hoede te moeten zijn, heb ik dat gevoel in Colombia helemaal nergens. Rechtstreeks uit de taxi word ik begeleid door iemand van het busstation, die me direct in de juiste bus zet. Ik let niet eens meer echt op of mijn tas ook echt in deze bus verdwijnt, zoveel vertrouwen wekt de man.

En de bus vertrekt onmiddellijk, ook al zo prettig. Vijf uurtjes van Cartagena naar Santa Marta. De stoelen in de bus zijn comfortabel en je zit meteen tussen de Colombianen zelf, die jou prettig niet interessant vinden als toerist (ook alweer zo’n verschil met India). Met mijn buurvrouw heb ik gewoon een gesprek van vrouw tot vrouw over de aangeboden waren in de bus; voortdurend worden er onderweg verkopers opgepikt die cakejes, koekjes, fruit, warme maaltijden of krultangen proberen te slijten aan een publiek dat immers toch niet weg kan. Het is een soort mini-wereldje waar je probleemloos onderdeel van uitmaakt. Ik vind die Colombianen tot nu toe uiterst gemoedelijk. Vooral de meneer met de krultangen, spiegels en weet ik wat voor rommel nog meer, valt erg in de smaak bij het buspubliek. Het is een soort rijdende stand-up comedian, mensen zitten hardop te lachen. Kom daar maar eens om in de Noord-Zuid lijn om 07:00 uur ’s ochtends in Amsterdam! Enige nadeel is dat ze niet aan plas-stops doen, dus ik haast me bij aankomst per taxi naar het ‘boutique’ hotel in Santa Martha. Daar wacht mij helaas een receptioniste die werkelijk geen woord snapt van wat ik bedoel en vice versa en begint aan een ellenlange incheck procedure. Ik word gedwongen om ‘Baños’ naar haar te schreeuwen, om eindelijk naar het toilet te kunnen.

Santa Marta staat niet hoog op de lijstjes van de reizigers. Ik snap niet waarom! Ik slenter bij de vallende avond over de boulevard en tref daar een van de allermooiste zonsondergangen ooit. De hele hemel kleurt fel oranje en de Colombianen wringen zich in allerlei bochten om de beste selfies te maken. Op de boulevard allemaal eetkraampjes en zelfs een sterrenkijker waar je voor 1 euro naar de maan kan kijken (doe ik natuurlijk, viel tegen). Verderop doet een groep jonge gasten met flinke spierballen oefeningen aan een rekstok waar Epke Zonderland zijn vingers nog bij kan aflikken. Eigenlijk staan de leukste dingen die je tegenkomt niet in reisgidsen, is mijn observatie. Ik eindig bij zowaar een vegetarisch restaurant waar ik een heerlijke geroosterde bloemkool eet, waar Ottolenghi nog een puntje aan kan zuigen.

In de ochtend staat er een groep van vijftig in het wit geklede mensen voor het stadhuis. Hele bescheiden mensen op blote voeten, allemaal een specifiek tasje om de schouder en een enkeling met een prachtig mutsje of hoed. De antropoloog in mij voelt het van binnen borrelen van nieuwsgierigheid. Ik informeer bij Colombianen uit Medellin waar dit over gaat en de Kogi -zo heten deze inheemse inwoners van de Sierra Nevada- demonstreren hier vreedzaam tegen de exploitatie van hun land. Zij maken zich zorgen over hun leefgebied en eisen meer respect voor de omgeving. Zonder in spirituele zwijmelarij te vervallen, valt me toch op dat hun bescheiden houding en voorkomen zo naadloos samenvalt met hun boodschap. Er schijnt 20 jaar geleden al een documentaire te zijn opgenomen, waarin de leiders van dit volk de wereld oproepen een andere koers te gaan varen. Greta Thunberg avant la lettre. Hun boodschap heeft niet bepaald aan actualiteit ingeboet, integendeel.

De taxichauffeur die me naar de volgende plek brengt vertelt me -hij spreekt Spaans tegen zijn telefoon en Google Translate spuugt er Engels uit en vice versa- dat de Kogi ook geld willen. Hij vertelt me ook dat de president van Colombia zelf een oud-guerrilla is en dat hij niet bepaald populair is in Colombia. Hij heeft weinig overwicht. Mijn eerste ‘gesprek’ over politiek in dit land. Dan arriveren we in Minca en moet die arme chauffeur met zijn gefundeerde politieke mening en iets te dikke buik mijn veel te grote koffer op zijn schouder alle trappen van het hotel optillen. ‘Light packing’ is nog een puntje voor verbetering. Had ik misschien toch die krultang niet moeten kopen.

dinsdag 11 februari 2025

Rosario eilanden en zeevonk

Dichtbij Cartagena liggen de Rosario eilanden. Omdat ik hou van eilanden in het algemeen, snorkelen in het bijzonder en wel behoefte heb aan een rustige plek om de reis een beetje uit te denken, besluit ik ervoor te gaan. Ik heb de 45 minuten in een speedboot er wel voor over -nooit mijn favoriete onderdeel wegens heel snel zeeziek- maar hee ‘you only live once’! ;-)

Het eiland is alles wat je hoopt; azuurblauwe zee, palmen, salsa muziek, ligbedjes, slaaphutjes op palen, veranda’s en Pina Colada’s. Maar het eiland is nog veel meer: tijdens de lunch wordt ons strandje overspoeld door dagtoeristen; mensen met geen flauw benul van waar ze zijn, die selfies nemen op het strand, hun eigen muziek aanzetten, hun blote lichamen in alle vormen en variaties aan de medemens bloot geven en die godzijdank -altijd later dan je hoopt- na de lunch naar hun bootjes worden teruggefloten.

Het eiland is ook echt ‘run down’ op veel plekken. Ik maak veel wandelingetjes, maar overal liggen bergen met steentjes voor onduidelijke verbouwingen, zitten er grote gaten in de weg, zie je afval en huizen die half af zijn, barretjes die lang geleden zijn verlaten en veel bruisende lokale cultuur lijkt er niet te zijn. Wat zou het mooi zijn als hier, zeg door een overheid, een mooi plan gemaakt wordt voor echt duurzame ontwikkeling, waarbij toeristen een mooi eiland te zien krijgen en waarbij de lokale bevolking allemaal evenredig delen in de opbrengsten van het toerisme.

Niet veel levendigheid hier dus, maar wel veel loslopende honden, waarvan er eentje met een bloederig oog het uitgerekend op mij heeft voorzien. Als hij op mijn veranda komt slapen vind ik hem nog wel lief, maar als hij bij mijn bezoekje aan ‘El Pueblo’, het dorpje midden op het eiland, met zijn gore poten ineens vanuit het niets tegen mijn witte truitje aanspringt, vind ik het ineens niet meer zo’n leuk hondje.

’s Ochtends heb ik -naar wat blijkt - een privé-snorkeltour met José, een kleine gedrongen man die op dit eiland geboren is. Boven water is het lastig een goed gesprek met hem te voeren, maar al snorkelend onder water is het net alsof we nooit anders gedaan hebben. Ik zie dat het koraal inderdaad dood is, dat er ondanks dat toch mooie vissen zijn en dat José om vissen te lokken aan het koraal zit te plukken. Nu vind ik José ineens niet meer de leukste gids.

In het huisje naast die van mij verblijven twee Nederlandse dames. We raken aan de praat en ik vertel ze via mijn ‘geheime informatiebron’ in Medellin dat hier het verschijnsel zeevonk te zien is. Plankton in zee licht bij een bepaalde temperatuur bijna fluorescerend op. Ik zag het ooit op een zwoele zomeravond in Bergen en was helemaal betoverd. De dames zijn meteen dol enthousiast.

Met zijn drie staan we klokslag 18.00 uur klaar voor de ‘zeevonk’ tour. Het is tot mijn verbazing weer José die ons komt ophalen; alsof er geen andere gidsen bestaan op dit eiland! We lopen een beetje giechelend achter hem aan door de donker wordende jungle. We passeren andere eco lodges -een rekbaar begrip- en uiteindelijk komen we bij een rustige inham van de zee aan de andere kant van het eiland.

José pakt een kano die wel een likje verf kan gebruiken. Hoe harder een van de dames loopt te sputteren, hoe leuker ik het vind worden. Het werkt enorm op mijn lachspieren of zouden het de zenuwen zijn? Ik moet op een houten blokje zitten voorin de kano, de dames in het midden naast elkaar en Jose peddelt zich achterin een slag in de rondte. Steeds stiller worden we als hij ons over de maanverlichte zee naar een ponton aan het mangrove bos brengt.

We stappen uit op het ponton. Het is inmiddels goed donker. José geeft ons een duikbril en legt uit de we onder het ponton door moeten zwemmen. Really? Is dit een grap? Ik doe als eerste mijn kleren uit en ga in bikini het trapje af. Met de duikbril half op mijn hoofd moet ik bijna met mijn hoofd onder water om onder het ponton te komen. L. komt achter mij aan en J. wacht bovenop het ponton even de eerste recensies af.

L. en ik zwemmen twintig meter onder het ponton door om -werkelijk waar- geen enkel stukje plankton te zien oplichten. Ik beweeg nog vol ongeloof met mijn hand door het water -je ziet het alleen als je het water beweegt- en met veel moeite ontwaren L en ik één klein vonkje. Wat een deceptie. Wat een dooie mus. J. Is blij dat ze niet uit de kleren hoeft en José staat er wat bedremmeld bij. ‘No plankton?’ ‘Nee, no plankton’. De volgende kano’s komen er alweer aan en ik kan het niet laten om te zeggen dat de hoeveelheid zeevonk bij ons een tikje tegen viel. Goedgemutst springen de volgende toeristen in het water.

Ook een ‘uitwas’ van het toerisme is dat er excursies ontstaan rond zaken die niets om het lijf hebben. Als je iets wilt verkopen, maar je hebt eigenlijk niks, dan verkoop je dus een toertje gebakken lucht. Het is: u vraagt, wij draaien. José geeft ons nog wel sportief een ‘no plankton’-korting. Wij drinken er een biertje op en hebben toch een hele leuke avond.

Ps. De dames weten nu nog niet dat de terugweg van het eiland met de speedboot een regelrechte hel is; met een keihard bonkende boot op de golven en gillende en drijfnatte mensen aan boord. Sssst. Maar het is mijn eigen schuld; ik wilde avontuur.

zaterdag 8 februari 2025

Cartagena en de markt

Cartagena is prachtig. Het is de meest bezochte stad van Colombia en dat is met een reden. De gebouwen uit de koloniale tijd staan er goed onderhouden bij. De verf op de muren van het hele historische binnenstad is vrolijk; alles is kleurrijk, je kunt er heerlijk eten en in de twee dagen dat ik hier verblijf zie ik maar liefst twee bruiloften.

De eerste nacht krijg ik al veel mee van de levendigheid van Cartagena omdat ze bedacht hebben om op het binnenpleintje naast mijn hotelkamer een groot podium te bouwen waar de hele nacht door keiharde live muziek door de speakers schalt. Ik ben zo moe dat ik er grotendeels doorheen slaap.

De volgende ochtend ben ik dan ook fris en fruitig als om 6 uur in de ochtend de zon opkomt. Ik zit nog in mijn Nederlandse ritme. Ik begin met vogels spotten op het dak en ik doe meteen een rondje oude binnenstad waar alle gebouwen -zo zonder mensen op straat - in hun volle glorie te bewonderen zijn. De scholen beginnen hier om 06:30 uur, maar verder komt de stad slechts traag op gang.

Hoewel het logisch is dat een mooie stad bezoekers trekt, heb ik toch moeite met de ‘uitwassen’ die dit met zich meebrengt. Koetsjes die door de stad rijden vind ik toch al een grensgeval. Straatartiesten verdringen zich om plekjes bij de terrassen. Als een Colombiaanse sexy gaat buikdansen voor een groot terras -hoe niet-Colombiaans wil je het hebben- is bij mij de limiet van wat draaglijk is wel bereikt. Als je mocht kiezen, denk ik dan, ging je hier niet staan dansen voor rijke mensen. De straatverkopers- en artiesten -en natuurlijk de bekende fruitverkoopsters met de schalen fruit op het hoofd- worden omhelsd als symbool van Cartagena. Met de laatste neem ik ook een foto en wanneer hiphoppers ter plekke een knappe rap verzinnen voor een oudere Amerikaan, vind ik het wel weer grappig. Maar het is duidelijk dat het voor veel mensen nodig is een graantje mee te pikken van volle portemonnees in deze stad.

Dat gezegd hebbend, vind ik de eerste dag alles mooi en kleurrijk en vrolijk en neem ik eindeloos veel foto’s. De tweede dag kom ik er maar moeilijk in. Ik besluit het ‘toeristen reservaat’ -wat het oude centrum is- te verlaten. Mijn ‘Rough Guide’ heeft nog een tip voor mensen die het ‘echte’ Colombia willen zien; de Bazurto markt. Een van de grootste markten ter wereld, waar je werkelijk alles wat je kunt bedenken schijnt te kunnen kopen.

Ik vlag een gele taxi en de chauffeur rijdt me 3 km verder het echte Colombia binnen. Het lijkt precies op delen van Afrika die ik ken. Heel veel stof, vage winkels aan de kant van de weg en mensen in minder sjieke kleren die lang de weg lopen. De chauffeur wil natuurlijk weten of ik alleen ben en bij de vraag of ik kinderen heb, zeg ik maar ‘eentje’, om niet helemaal losgeslagen over te komen. Hij zegt drie keer dat ik goed op mijn spullen moet letten op de markt.

We zijn allang de hoofdingang gepasseerd als we nog steeds stapvoets langs de kraampjes rijden. Na een tijdje realiseer ik me dat hij niet bezig is een goed stop plekje te zoeken, maar dat hij gewoon niet van plan is me hier uit te laten. Ik denk uit vaderlijke bezorgdheid, maar zeker weten doe ik het niet. Hij is eigenhandig een soort safari, waarbij ik de markt van achter een autoraampje dien te bezichtigen, begonnen. Ja dag!! Ik zeg in mijn zeer slechte Spaans dat ie hier wel kan stoppen, ik betaal en stap resoluut uit.

De markt is zoals ik er al heel wat heb gezien in Afrika en Azië. Godvergeten smerig. Het ruikt naar een bekende mix van afval, vis, kruiden en hitte. Het is meer een soort vuilnisbelt, van waaruit er weer kraampjes ontstaan. Ik arriveer duidelijk bij het scheiden van de markt. Hier een daar nog kramen met vis, nog wat groenten en dan verplaats ik me naar de eindeloze hallen met nog meer kramen; die met keukengerei van plastic en goedkoop metaal vind ik het leukst. Hoe dieper ik doordring in het labyrint van stalletjes hoe stiller het wordt. In de vleeshal is alles opgeruimd en ligt er een oude man, bloot op zijn korte broek na, te slapen op de plek waar vanochtend nog kadavers lagen. Ik probeer naar iedereen vriendelijk te lachen ‘goed volk’, maar het is duidelijk dat ik de weg niet ken. In een hoek van de hallen koken dames in grote zwarte potten op hoog vuur pruttelende sauzen waar ik viskoppen uit zie steken. Ze willen dat ik kom eten, maar dat sla ik toch even over. De sfeer is van onverschillig en neutraal op sommige plekken nu eerder wat grimmig aan het worden. Dat is mijn cue om de rand van de markt op te zoeken. Bij een fruitkraam heb ik een leuk gesprek zonder noemenswaardig Spaans met een aardige verkoper, bij wie ik van elk stuk fruit er eentje koop. Ga ik straks ontdekken in het hotel hoe ze smaken.

Terwijl de pelikanen zich tegoed doen aan het marktafval om me heen probeer ik in de brandende zon een taxi te krijgen. Niemand stopt. Ik krijg de tip om door te lopen naar winkelcentrum. Vanuit het vuil loop ik een van de blinkenste winkelcentra in die je je kunt voorstellen. De airco staat er vol aan en er staan nieuwe auto’s met linten eromheen als kadootjes te blinken op de wandelpaden. In de waanzinnig luxe supermarkt zie ik 50 soorten olijfolie. Ik ondervind aan den lijve hoe arm en rijk letterlijk naast elkaar kunnen bestaan.

Ik voel me weer een beetje underdressed hier, maar mijn rode hoofd koelt lekker af en ik heb weer bereik. Ik maak maar gauw gebruik van de mogelijkheid om ‘vertrouwd’ een Uber op te roepen. De stevige chauffeur kijk ik recht in zijn algoritme als hij op zijn telefoontje naast zijn stuur afwisselend kookprogramma’s en afslanktips kijkt. Hij heeft heerlijke Salsa muziek opstaan als hij me veilig terug rijdt naar mijn toeristenreservaat.

vrijdag 7 februari 2025

Bogota en de bril

Het vliegtuig vanuit Amsterdam maakt een tussenlanding in Bogota. Naast mij zit D. uit Utrecht. Hij is 23, heeft een bos rode krullen en zijn moeder is Sjamaan. D. gaat drie maanden reizen in Colombia en Brazilië, ik zeven weken in Colombia en Ecuador. We schelen 30 jaar, maar ik zie ook overeenkomsten; we hebben allebei geen uitgewerkt reisplan, spreken nauwelijks Spaans en onze moeders hadden liever gehad dat we thuis bleven.

Naast ons zit een Colombiaan van rond de 25. Hij studeert in Berlijn en gaat voor het eerst in twee jaar zijn ouders in Cali bezoeken. Hij heeft zijn kleine zusje al twee jaar niet gezien. Zijn kleding en onberispelijke Engels ‘ademen’ Europa. Hij heeft zich getransformeerd. Hij drinkt dure koffie in Prenzlauerberg. Hoe zal de reünie zijn met zijn ouders? Hoe overbrugt hij deze oceaan?

D. gaat er hier in Bogota uit, ik vlieg door naar Cartagena. We zwaaien uitgebreid. Dan wordt er omgeroepen dat iedereen toch echt uit het vliegtuig moet, ook al vlieg je dadelijk door naar Cartagena. Dat was nog niet echt duidelijk gecommuniceerd. Ik hark al mijn spullen onder mijn stoel bij elkaar -schoenen, Volkskrant Magazines, kussentjes, koptelefoons- en prop het snel in mijn tas. Ik kom weliswaar terug op dezelfde stoel, maar alles moet naar buiten. Ik wil mijn bril opzetten, maar ik zie hem nergens. Kijk in de stoelvakken, op de grond, in mijn stoel. Nergens. Ik krijg het warm. Ik had hem toch met een pootje om het stoelvak gehangen?

Het vliegtuig is inmiddels leeg. De overgebleven KLM stewardessen in het frisse blauw dralen zo’n beetje om me heen. Ik stal al mijn spullen uit op dat plekje voor de WC’s, waar iets meer ruimte is. Systematisch onderzoek ik elke tas. Rustig blijven nu. Niks. Geen bril. Ik stuif weer terug naar mijn stoel. Steeds wilder worden mijn bewegingen. Plastic zakken met dekens en kussen vliegen door de lucht. Ik lig op de grond onder de stoelen voor zover dat gaat. WAAR IS DIE BRIL? ‘Hoe ziet de bril er precies uit?’ vraagt de stewardess. Ook zij -de schat- gaat door de knieën. Ze kijkt een beetje moedeloos naar de grond.

Er komt een leger van Colombiaanse schoonmaaksters het vliegtuig binnen. Grote vuilniszakken boven hun hoofd houdend. Ze werken systematisch van achter naar voor, als een leger sprinkhanen die een veld leeg plunderen. Ze lachen vriendelijk naar me. Ik weet het Spaanse woord voor bril niet, maar maak een gebaar van een bril en ze knikken vriendelijk dat ze er naar uit zullen kijken.

Ze zijn te servicegericht om het te zeggen, maar ik zie het in de ogen van de stewardessen; ik moet er nu toch echt uit. Met een verhoogde hartslag verlaat ik het vliegtuig. Nog niet eens op de eindbestemming en ik ben al een essentieel onderdeel van mijn bagage kwijt! Hoe krijg ik het voor mekaar!

Iedereen is verdwenen. Ik sta in een totaal lege vleugel van het vliegveld van Bogota. Op de WC’s is een schoonmaakploeg bezig die me vreemd aankijken omdat ze dachten dat iedereen al weg was. Waar moet ik naartoe? Moet ik opnieuw inchecken? Ik heb werkelijk geen idee.

Op goed geluk neem ik een roltrap. Ik kom in een hal. Mensen gaan door een bagage-check. Gevoelsmatig wil ik bij het vliegtuig blijven, als de dood dat ik mijn aansluiting mis. Iemand in een hesje zegt dat ik niet meer terug mag de roltrap op. Bagage-check dan maar. Tas wordt eruit gepikt; er zit water in. Ik mag door.

Er hangen borden met vertrektijden, maar ik kan ze niet lezen. Ik ben mijn bril kwijt. Heel vaag zie ik dat Cartagena er niet op staat. Ik vraag een beambte naar het vliegtuig naar Cartagena. Ze spreekt geen Engels en wuift vaag met haar hand. Een man die eruit ziet als een piloot stapt op mij af; hoe hij me kan helpen. Hij heeft wel een bril en kijkt mee op de borden. Hij vermoed dat de eindbestemming Amsterdam er wel op zal staan. Hij heeft gelijk. Nu weet ik welke gate ik moet hebben. Ik zie al bekende gezichten. Opgelucht sluit ik me aan in de rij.

Ik pak mijn paspoort uit mijn schoudertasje en zie opnieuw de brillenkoker. Er gaat mij ineens iets dagen. Van binnen begint iets te kriebelen. Ik klap hem open…..en ja hoor, daar ligt ie gewoon. Mijn bril. Ik zet hem op mijn neus.

Het duurt een tijdje voordat mijn hartslag weer is genormaliseerd. Ik stap het vliegtuig weer in. Tegen de stewardessen zeg ik dat ik hem heb gevonden, maar dat ik niet durf te zeggen waar.